Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het recht – in het bijzonder artikel 6 EVRM Pro – is geschonden doordat het gerechtshof ten onrechte het verzoek van de verdachte om bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn, heeft afgewezen.
NJ2019/285 m.nt. Mevis heeft Uw Raad enkele algemene opmerkingen gemaakt over de wijze waarop verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht dienen te worden onderbouwd en door de rechter dienen te worden beoordeeld. Na weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering (rov. 2.2), vooropstellingen inzake de wijze waarop het verzoek kan worden gedaan (rov. 2.3.1) en het moment waarop de rechter een beslissing op het verzoek dient te nemen (rov. 2.3.2), overweegt Uw Raad:
NJ2009/323 m.nt. Borgers had de raadsman ter terechtzitting gemeld dat hij op de ochtend van de terechtzitting door de broer van de verdachte was gebeld met de mededeling dat de verdachte ziek was. Het hof had het verzoek om aanhouding afgewezen ‘nu verdachte geen medische verklaring kan overleggen’. Uw Raad overwoog dat ‘het oordeel van het Hof dat het verzoek diende te worden afgewezen op grond van de enkele omstandigheid dat de verdachte op dat moment geen medische verklaring had overlegd, zonder dat was onderzocht of het overleggen van zo'n verklaring dan wel van andere gegevens in redelijkheid van de verdachte verlangd had kunnen worden, de afwijzing van het verzoek niet (kon) dragen’. [5]