Conclusie
Tokkie/Michael [1] ? Nee volgens het Haagse hof.
Tokkie/Michaelhier aan een geslaagd beroep op dringend eigen gebruik in de weg staat. Onderdeel 3 bestrijdt dat geen contractsoverneming van de huurovereenkomst heeft plaatsgevonden en onderdeel 4 dat er geen vergoeding wordt toegewezen voor verhuis- en inrichtingskosten. Ik zie de cassatiepoging niet slagen.
1 januari 2018. De wettelijke grond waarop de huurovereenkomst wordt opgezegd, is in de eerste plaats dringend eigen gebruik en in de tweede plaats de algemene belangenafweging (artikel 7:300 lid 3 BW Pro j° 296 lid 1 sub b j° 296 lid 3 BW).
primairvernietiging van het eindvonnis en afwijzing van de vorderingen van Ladage Exploitatie en
subsidiairom een bekrachtigend arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, te bepalen dat de huurovereenkomst pas zal eindigen achttien maanden na de in een bodemprocedure onherroepelijk uitgesproken datum waarop de franchiseovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te verklaren voor recht dat Ladage Exploitatie is gehouden tot betaling van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten en Ladage Exploitatie te veroordelen tot vergoeding van de als gevolg daarvan door [eisers] geleden schade [5] , op te maken bij staat, een en ander met veroordeling van Ladage Exploitatie in de proceskosten in beide instanties. Ladage Exploitatie heeft verweer gevoerd.
grieven 2 tot en met 5komt [eisers] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Misty niet de hoedanigheid van huurder of onderhuurder heeft verkregen. [eisers] stelt primair dat Misty met instemming van Ladage Exploitatie in de plaats is gesteld van [eiser 1] toen [eiser 1] zijn onderneming heeft ingebracht in Misty. Subsidiair stelt [eisers] dat een contractsoverneming heeft plaatsgevonden, waarbij Misty de huurovereenkomst met instemming van Ladage Exploitatie van [eiser 1] heeft overgenomen.
Grieven 6 tot en met 9zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Ladage Exploitatie de bedrijfsruimte dringend nodig heeft voor persoonlijk gebruik, zoals bedoeld in artikel 7:296, eerste lid onder b BW. Volgens [eisers] staat de rayonbescherming die hem toekomt op grond van de franchiseovereenkomst eraan in de weg dat Ladage Exploitatie in de bedrijfsruimte een snackbar volgens de Bram Ladage franchiseformule gaat exploiteren. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [eisers] naar rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 24 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2255). Daarnaast betoogt [eisers] onder meer dat Ladage Exploitatie niet zal kunnen voldoen aan de contractuele bepaling in de standaardfranchiseovereenkomst dat de franchisenemer dagelijks gedurende piektijden in de vestiging aanwezig moet zijn, gelet op de leeftijd van [betrokkene 1] (geboren op 10 april 1949). De exploitatieberekening van Ladage Exploitatie houdt volgens [eisers] geen rekening met de huur van de bedrijfsruimte en de overdracht van de onderneming, waarvoor [eiser 1] destijds fl. 2.600.000,- heeft betaald. Daarnaast heeft Ladage Exploitatie volgens [eisers] andere mogelijkheden om rendement te behalen, zoals een uitbreiding van de franchiseketen. [eisers] stelt ten slotte dat ook een belangenafweging op grond van artikel 7:296, derde lid BW niet in het voordeel van Ladage Exploitatie zou kunnen uitvallen.
Grief 10is gericht tegen de vaststelling van de einddatum van de huurovereenkomst door de kantonrechter. Volgens [eisers] had de kantonrechter bij de vaststelling van de einddatum niet moeten laten meewegen dat Ladage Exploitatie de huurovereenkomst op 9 december 2016 heeft opgezegd, aangezien Ladage Exploitatie zich bij haar opzegging op enkele dagen na aan de opzegtermijn heeft gehouden. Verder heeft [eisers] aangevoerd dat de kantonrechter er bij de vaststelling van de einddatum rekening mee had moeten houden dat de franchiseovereenkomst nog loopt tot 1 januari 2023, dat geen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is aangeboden en dat [eisers] eind 2015 nog € 90.000,- heeft geïnvesteerd in een
restylingvan de bedrijfsruimte.
restylingvan de bedrijfsruimte, reeds omdat [eisers] tegenover de betwisting door Ladage Exploitatie op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt of (voor zover het betreft de verhuis- en inrichtingskosten) nog gemaakt zullen worden. Ladage Exploitatie heeft het hof verzocht de einddatum vast te stellen op een datum die maximaal vijf maanden na de datum van dit arrest is gelegen. Mede in aanmerking genomen dat sinds de opzegging van de huurovereenkomst door Ladage Exploitatie inmiddels meer dan 2,5 jaar is verstreken, acht het hof het redelijk om [eisers] nog een termijn van vijf maanden te geven om zich op het eindigen van de huurovereenkomst voor te bereiden, en zal het hof de einddatum van de huurovereenkomst vaststellen op 1 maart 2020.
2.Bespreking van het cassatieberoep
welaf kan doen aan het door Ladage Exploitatie voorgenomen eigen gebruik. Dat is volgens rechtspraak van Uw Raad [17] immers het geval wanneer het benutten van de andere mogelijkheden voldoende in de rede ligt om van Ladage Exploitatie te vergen dat zij deze benut (en niet de met [eisers] gesloten franchiseovereenkomst frustreert). Het hof heeft ten onrechte niet beoordeeld of het voldoende in de rede ligt om van Ladage Exploitatie te vergen dat zij deze andere mogelijkheden om rendement te halen benut. Aangekaart wordt dat het hof in rov. 14 uitgaat van de juistheid van de stelling van [eisers] [18] dat Ladage Exploitatie andere mogelijkheden heeft om rendement te behalen, zoals een uitbreiding van de franchiseketen. Althans is de juistheid van die stelling in het midden gelaten [19] .
ZSN/Telec [20] over te gaan tot een beoordeling of het in onze zaak voldoende in de rede ligt om van Ladage Exploitatie te vergen dat zij de andere mogelijkheden om rendement te behalen benut. Dit laatste klemt volgens deze motiveringsklacht temeer, omdat bij deze beoordeling bovendien (mede) gewicht toekomt aan de onlosmakelijk met de huurovereenkomst verbonden franchiseovereenkomst, die in art. 5 aan Pro de franchisenemer het uitsluitend recht toekent om het Bram Ladage-systeem te gebruiken (lid 1) en deze rayonbescherming biedt tegen zowel derden, als de franchisegever (lid 2). De klacht verwijst hiervoor naar onderdeel 2. Uit het arrest volgt volgens de klacht niet of en zo ja in hoeverre het hof bij bedoelde beoordeling gewicht heeft toegekend aan het (vrijwel) onmogelijk maken van het gebruik van dit systeem door [eisers]
Tokkie/Michaelin de weg aan dringend eigen gebruik, omdat daarmee de (nog doorlopende) franchiseovereenkomst zou worden gefrustreerd, zodat de (rayonbescherming uit de) franchiseovereenkomst een juridisch beletsel vormt in de zin van bedoeld arrest.
Tokkie/Michaelmet het argument van rayonbescherming uit de franchiseovereenkomst niet opgaat. Als de huurovereenkomst voor de uitoefening van die franchiseformule wegvalt, is het einde oefening rayonbescherming omdat die is gekoppeld aan de uitoefening van die franchiseformule in het gehuurde, aldus het hof in rov. 15. Vanwege deze kennelijk bewust door partijen gescheiden gehouden wegen kan dan in het huurbeëindigingstraject niet via
Tokkie/Michaelde rayonbescherming uit het franchiseovereenkomsttraject daar een stokje voor steken. De kennelijke gedachte die dan voorzit lijkt mij hier deze: je hebt het zelf als partijen niet gekoppeld geregeld en niet onderling op elkaar afgestemd en dan staat het ook echt los van elkaar. En wat de gevolgen dan zijn voor Misty van beëindiging van de huurovereenkomst in het kader van de franchiseovereenkomst, zo vervolgt het hof nog steeds in rov. 15, dat gaat het bestek van deze procedure te buiten; lees (tussen de regels door): dat lost zich mogelijk op in schadevergoeding in een procedure gebaseerd op de franchiseovereenkomst (in gelijke zin Verdurmen en Boosma in hun annotatie onder het bestreden arrest in TvHB 2019/23, p. 482, rk).
Tokkie/Michaelwel aan opzegging wegens dringend eigen gebruik in de weg staat in dit geval. Subonderdelen 2.8 en 2.9 zijn toegiften.
“package deal” [25] , althans dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de huurovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met de franchiseovereenkomst [26] . Het subonderdeel geeft vervolgens weer wat [eisers] daartoe in feitelijke aanleg hebben gesteld, hetgeen hierna wordt weergegeven in 2.10 [27] .
lotsverbondenheid [28] in beginsel meebrengt dat het voorgenomen eigen gebruik op praktische en/of juridische gronden ontoelaatbaar is in de zin van het arrest
Tokkie/Michael [29] . Hierbij is volgens de klacht van belang dat de franchiseovereenkomst doorloopt tot ten minste 1 januari 2023 [30] en dat de opzeggingspoging van de franchiseovereenkomst is gestrand bij vonnis van de Rotterdamse rechtbank (vgl. hiervoor in 1.9) [31] . Deze doorlopende franchiseovereenkomst maakt het voorgenomen eigen gebruik op praktische en/of juridische gronden ontoelaatbaar in de zin van
Tokkie/Michael,omdat art. 5 lid 1 van Pro de franchiseovereenkomst het “uitsluitend recht” verleent aan franchisenemer om in de bedrijfsruimte een snackbar te exploiteren conform het Bram Ladage-systeem, terwijl nakoming van dit uitsluitend recht blijvend onmogelijk zou worden indien de huurovereenkomst met betrekking tot deze bedrijfsruimte wordt beëindigd [32] . Een andere uitkomst leidt volgens de klacht tot een onaanvaardbare of onwenselijke verstoring van het evenwicht dat gevormd wordt door de contractuele samenhang en wederkerigheid uit de
packagevan de drie overeenkomsten [33] . Het honoreren van opzegging wegens dringend eigen gebruik heeft bovendien tot gevolg dat het hof het in kracht van gewijsde vonnis van 6 september 2017 [34] “frustreert en illusoir maakt”.
nietlotsverbonden zijn, dat dat dan onjuist is en/of ontoereikend is gemotiveerd. In dat kader verwijst de klacht alleen naar de subonderdelen 2.1 en 2.2.
“van administratieve aard”en hebben deze er niet toe geleid dat de uiteindelijke belangen in andere handen zijn gekomen dan die van [betrokkene 1] (resp. het Bram Ladage ‘concern’) en [eiser 1] [36] , zodat deze wisselingen er niet toe hebben geleid dat bedoelde lotsverbondenheid wordt doorbroken.
dezelfde partijen([eiser 1] en Ladage Exploitatie);
dezelfde dag(1 december 1997);
dezelfde bedrijfsruimte;
“slechts”één maand daarna is de huurkoopovereenkomst gesloten met als inhoud dat [eiser 1] van Ladage Exploitatie voor een bedrag van ƒ2.600.000 ex btw, de inventaris en goodwill van de in de bedrijfsruimte gevestigde snackbar heeft gekocht;
Tokkie/Michael.
zelfnakoming van een op hem rustende rayonbeschermingsverplichting onmogelijk maakt, door beëindiging van de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte waarin de franchisenemer zijn onderneming conform de franchiseformule exploiteert, heeft volgens de klacht
niet, laat staan zonder meer, als logische consequentie dat de franchisenemer
“dus”niet langer aanspraak kan maken op nakoming van de overeengekomen rayonbescherming. In onze zaak heeft de franchisenemer jegens de franchisegever volgens de klacht in beginsel nog steeds recht op nakoming van art. 5 lid Pro 1 (exclusief recht) en lid 2 (rayonbescherming) van de franchiseovereenkomst. Dit brengt mee dat het voorgenomen persoonlijk gebruik wel op praktische en/of juridische gronden uitgesloten is. De klacht merkt daarbij nog op dat de franchisenemer in het kader van de huurkoopovereenkomst een bedrag van ƒ 2.600.000,- aan goodwill en inventaris heeft betaald.
geenrecht geeft op voortzetting van de huur van de bedrijfsruimte. Beëindiging van de huurovereenkomst is op zichzelf dus niet strijdig met de nog voortdurende franchiseovereenkomst. Het oordeel dat de vraag in hoeverre beëindiging van de huurovereenkomst ten aanzien van de bedrijfsruimte aan Misty aanspraken geeft uit hoofde van de franchiseovereenkomst in het kader van de franchiseovereenkomst moet worden bezien, leidt – zonder nader toelichting, die ontbreekt – evenmin tot de conclusie dat het arrest wanprestatie mogelijk maakt. Subonderdeel 2.8 is zodoende tevergeefs voorgesteld.
onlosmakelijkverbonden is met de huurovereenkomst en de huurkoopoverkomst (
lotsverbondenheid).
“dat Ladage Exploitatie begrepen heeft dat, althans naar de bedoeling van [eiser 1] en Ladage Exploitatie, de huurovereenkomst overgegaan is op Misty en dat de facturen al geruime tijd op naam van Misty staan en door deze betaald worden
.”
„aanvoert”dat zij de tenaamstelling van de facturen op verzoek van [eiser 1] aangepast heeft en er echter van uitgegaan zou zijn dat het
„uitsluitend”een verzoek om wijziging van de tenaamstelling zou hebben betroffen en dat Misty de huurpenningen daarna ten behoeve van [eiser 1] zou voldoen, niet volgen dat Ladage Exploitatie ‘dus’ niet ingestemd zou hebben met contractsoverneming ook wat betreft de huurovereenkomst (
‘non sequitur’). Dit ook niet om de reden dat [eisers] naar ’s hofs oordeel tegenover dat verweer van Ladage Exploitatie hun stelling dat instemming met wijziging van de tenaamstelling van de facturen en acceptatie van huurbetalingen van Misty instemming met contractsoverneming door Misty impliceert, onvoldoende onderbouwd zouden hebben. Weliswaar onderkent het hof in rov. 9 de regel dat de wederpartij (Ladage Exploitatie)
in elke vormhaar instemming kan verlenen aan het overdragen van de in deze rov. 9 genoemde rechtsverhouding tot deze wederpartij, maar in rov. 10 miskent het hof deze regel, die (mede) inhoudt dat deze instemming ook
stilzwijgendverleend kan worden, of past het deze regel verkeerd toe.
stilzwijgendkan verlenen, mist feitelijke grondslag. Het hofoordeel houdt in mijn optiek in dat
geensprake is van instemming door Ladage Exploitatie, ook niet stilzwijgend.
“(…) dat het überhaupt niet nodig is om bij wege van eis in reconventie de in art. 7:297 BW Pro bedoelde tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten te eisen [51] en dat hetzelfde geldt voor een eis die strekt tot een declaratoir dat een huurder recht heeft op deze tegemoetkoming.”
“dit”– kennelijk: de verklaring voor recht dat [eisers] recht hebben op een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten volgens art. 7:297 BW Pro – niet voor het eerst in hoger beroep geëist zou kunnen worden. In dat verband voert de klacht aan dat [eisers] deze eis al meteen bij grieven hebben ingesteld. Gezien het stadium van het geding in hoger beroep valt volgens de klacht niet in te zien waarom sprake zou zijn van strijd met de eisen van een goede procesorde.
conventie(eventueel in hoger beroep) om te bewerkstelligen dat de rechter bij toewijzing van de beëindigingsvordering bepaalt dat de verhuurder een (concreet) bedrag ter tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten moet betalen, zoals hiervoor in 2.31 is uiteengezet, doet daar volgens mij niet aan af. Kennelijk heeft het hof de stellingen van [eisers] over een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten ook niet opgevat als een dergelijk verzoek in conventie en daartegen richt het middel geen voldoende kenbare klacht [52] .
obiter dictum –tot uitdrukking heeft gebracht dat de door [eisers] geëiste tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten sowieso al afgewezen moet worden, omdat onvoldoende is onderbouwd dat nog verhuis- en inrichtingskosten gemaakt zullen worden, klaagt het onderdeel dat dit onjuist of onbegrijpelijk is. Dit wordt uitgewerkt in de subonderdelen 4.3 en 4.4.
mogelijkheidvan schade aannemelijk moet zijn [53] . De klacht voegt daar nog aan toe dat het hof in ieder geval niet heeft geoordeeld dat de
mogelijkheidvan verhuis- en inrichtingskosten niet aannemelijk zou zijn [54] . De klacht betoogt dat het hof partijen in de gelegenheid had moeten stellen om zich nader uit te laten over de hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten, althans de uitspraak hierover had moeten aanhouden [55] .
mogelijkheidvan verhuis- en inrichtingskosten in onze zaak niet aannemelijk is. Het klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat een gedwongen beëindiging van de huurovereenkomst en daarmee een gedwongen verhuizing van het in het gehuurde geëxploiteerde bedrijf in zijn algemeenheid gepaard gaat met verhuis- en inrichtingskosten. Zonder nadere maar ontbrekende motivering valt volgens de klacht niet in te zien waarom dat in onze zaak anders is.
obiter dictum, tot uitdrukking gebracht dat de door [eisers] geëiste tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten alleen al afgewezen moet worden omdat onvoldoende is onderbouwd dat nog verhuis- en inrichtingskosten gemaakt zullen worden. Het hof heeft het gevorderde declaratoir dat [eisers] recht hebben op een degelijke tegemoetkoming alleen al afgewezen, omdat een dergelijke eis in reconventie niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. Het hof heeft
nietmaterieel geoordeeld over een door [eisers] gevorderde (of verzochte) tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten, zoals we hebben gezien hiervoor in 2.33 slot. Het bestreden oordeel in rov. 18 ziet alleen op de vraag of – bij de vaststelling van de einddatum van de huurovereenkomst – rekening gehouden moet worden met het gestelde feit dat Ladage Exploitatie [eisers] geen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten heeft aangeboden (en het gestelde feit dat [eisers] eind 2015 nog € 90.000,- heeft geïnvesteerd in de restyling van de bedrijfsruimte). Het hof beantwoord die vraag ontkennend. Het hof heeft alleen in dat verband overwogen dat [eisers] – tegenover de betwisting door Ladage Exploitatie – op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat deze verhuis- en inrichtingskosten nog gemaakt zullen worden.
Subonderdeel 4.5bevat de voortbouwende klacht dat bij het slagen van één van de klachten uit de onderdelen 4.1-4.4 ook de zevende en achtste volzin van rov. 15 niet in stand kunnen blijven. Dat behoeft geen afzonderlijke bespreking, nu geen van deze klachten volgens mij tot cassatie kunnen leiden.
onderdeel 5mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de hiervoor besproken klachten.