Conclusie
1.Inleiding
De beoordeling
3.Het cassatiemiddel
4.Art. 5 EVRM Pro
Indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;
indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;
indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;
ontneming(‘
deprivation of liberty’) en beoogt te garanderen dat niemand willekeurig zijn vrijheid wordt ontnomen. Wanneer ‘slechts’ sprake is van beperking van de bewegingsvrijheid (‘
mere restrictions on liberty of movement’), is niet art. 5 EVRM Pro maar art. 2 Vierde Pro Protocol bij het EVRM van toepassing. [9]
beneming) enerzijds en vrijheidsbeperking anderzijds is niet principieel, maar gradueel van aard. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of een bepaalde situatie onder het bereik van art. 5 EVRM Pro of onder het bereik van art. 2 Vierde Pro Protocol valt. Daarbij komt betekenis toe aan de duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende c.q. vrijheidsbeperkende maatregelen. [10] Zo kunnen van belang zijn de mate van fysieke beperking van de bewegingsvrijheid, de mate van toezicht en het al dan niet kunnen behouden van sociale contacten. [11] Factoren die op zichzelf niet als vrijheidsontneming kunnen worden gekwalificeerd, kunnen cumulatief en in onderlinge samenhang bezien wel vrijheidsontneming in de zin van art. 5 EVRM Pro opleveren. [12] Van vrijheidsontneming is dus niet alleen sprake wanneer een persoon daadwerkelijk is opgesloten. [13] Bij vaststelling of al dan niet sprake is van vrijheidsontneming, is de feitelijke situatie bepalend en niet de kwalificatie daarvan door de nationale autoriteit. [14]
lawful’) is. [15]
bescherming tegen willekeur [18] ) van – art. 5 EVRM Pro zelf en de fundamentele rechtsbeginselen die impliciet of expliciet aan het EVRM ten grondslag liggen, waaronder met name het beginsel van rechtszekerheid. Wat dit laatste betreft moet de nationale wetgeving die voorziet in de mogelijkheid tot vrijheidsontneming, beantwoorden aan maatstaven van voorzienbaarheid (‘
foreseeability’)en toegankelijkheid (‘
accessibility’). [19] Daarmee is bedoeld om kwaliteitseisen te stellen aan de nationale wetgeving met betrekking tot vrijheidsontneming. [20]
necessary’) moet zijn. Als er andere, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om het beoogde doel te bereiken, dan moet daarvan gebruik worden gemaakt. Vrijheidsontneming dient steeds
ultimum remediumte zijn. [21]
S., V. en A. t. Denemarkendat het moet gaan om een voldoende specifieke en concrete verplichting. [24] Zo is een algemene verplichting om de wet na te leven onvoldoende specifiek.
fair balance, namelijk tussen enerzijds het belang dat de betreffende wettelijke bepaling alsnog wordt nagekomen en anderzijds het recht op vrijheid. Hiermee wordt het proportionaliteitsvereiste tot uitdrukking gebracht. [25]
Vasileva t. Denemarken: [26]
38. In this assessment the Court considers the following points relevant; the nature of the obligation arising from the relevant legislation including its underlying object and purpose; the person being detained and the particular circumstances leading to the detention; and the length of the detention.”
S., V. en A. t. Denemarken: [27]
a last resort’ en dus een
ultimum remedium.
at reasonable intervals thereafter’. [29] De rechterlijke controle richt zich op de rechtmatigheid (‘
lawfulness’) van de vrijheidsontneming in de zin van art. 5 lid 1 EVRM Pro, waarbij zowel aan de inhoudelijke als de procedurele vereisten van de nationale wetgeving moet worden getoetst. [30] De rechterlijke controle moet worden uitgevoerd in overeenstemming met het doel van art. 5 EVRM Pro: het bieden van een waarborg tegen willekeurige vrijheidsontneming. [31]
onderdeel cis gearresteerd of gedetineerd moet ingevolge art. 5 lid 3 EVRM Pro onverwijld voor een rechter worden geleid en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
relevant and sufficient reasons’ zijn voor voortduring van de vrijheidsontneming. [34] Met betrekking tot de tweede ‘limb’ valt op te merken dat lid 3 de rechterlijke autoriteiten niet de keuze laat tussen hetzij de verdachte binnen redelijke termijn berechten hetzij de verdachte in vrijheid stellen. In de context van art. 5 lid 3 EVRM Pro gaat het niet zozeer om het recht op berechting binnen een redelijke termijn (zoals de letterlijke tekst van lid 3 lijkt te impliceren), maar om de vraag of de duur van de voorlopige hechtenis als zodanig nog als redelijk kan hebben te gelden. [35]
5.Art. 2 Vierde Pro Protocol EVRM
Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen.
Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.
De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook, in bepaalde omschreven gebieden, worden onderworpen aan beperkingen die bij de wet zijn voorzien en gerechtvaardigd worden door het algemeen belang in een democratische samenleving.
some basis in domestic law’) aanwezig zijn. [43] Het oordeel of die grondslag er in een concreet geval is, wordt veelal aan de nationale rechter gelaten. [44]
accessible’) en voorzienbaar (‘
foreseeable’) wat betreft de gevolgen ervan. [45] In de zaak
De Tommaso t. Italië [46] heeft het EHRM met betrekking tot de vereiste voorzienbaarheid onder meer overwogen dat een aan De Tommaso opgelegde voorwaarde die voorschreef dat hij ‘
een eerlijk en gezagsgetrouw leven’ moest leiden en ‘
geen aanleiding mocht geven tot verdenking’, niet voldoende gedetailleerd geformuleerd is en niet voldoende duidelijk omschrijft wat de inhoud is van de preventieve maatregel die hem was opgelegd (§ 119-122). Daarmee is sprake van strijd met art. 2 Vierde Pro Protocol. Het vereiste van voorzienbaarheid houdt dus ook in dat de nationale norm met voldoende nauwkeurigheid moet zijn geformuleerd, zodat de burger in staat is zijn gedrag daarop af te stemmen. [47]
necessity'-toetsing die ik met (ii) heb aangeduid, in het bijzonder voor de vraag of een beperkende maatregel evenredig is in verhouding tot haar oogmerk. [49]
Luordo t. Italië) is het doel om de beschikbaarheid van de gefailleerde in een faillissementsprocedure te verzekeren (‘
could be contacted’) als legitiem doel (bescherming van de rechten van de schuldeisers) voor vrijheidsbelemmerende maatregelen aanvaard. [50]
minimal intrusive measure’. [53]
it is precisely the link between the restrictive measure at issue and its purported protective function that is missing’ en oordeelde de beperking van de bewegingsvrijheid van de betrokkene niet noodzakelijk in een democratische samenleving. [62]
Riener t. Bulgarije [64] was tegen de klaagster een reisverbod uitgevaardigd vanwege belastingschulden en was het paspoort van de klaagster ingenomen. Het reisverbod had in totaal bijna negen jaar geduurd. In het kader van de beoordeling van de proportionaliteit van de maatregel overwoog het EHRM allereerst dat hoewel een beperking in eerste instantie gerechtvaardigd kan zijn, deze toch disproportioneel kan worden als deze automatisch wordt gehandhaafd over een lange periode (§ 121). Een reisverbod vanwege een onbetaalde schuld kan slechts gerechtvaardigd zijn zolang het daarmee beoogde doel, voldoening van de schuld, gediend wordt en dat betekent dat niet
de factosprake mag zijn van een straf op het onvermogen te betalen (§ 122-123). Volgens het EHRM, samengevat weergegeven, waren de maatregelen in dit geval disproportioneel, onder meer vanwege het gebrek aan pogingen van de fiscale autoriteiten om de schuld te innen, het automatische karakter van het reisverbod, het gebrek aan adequate periodieke herbeoordeling, onduidelijkheid over de hoogte van de schuld en het gebrek aan procedurele waarborgen (§ 124-130).
explicietewettelijke grondslag aanwezig zijn. Zijn conclusie is dan ook dat het reisverbod als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling ontoelaatbaar is, zo lang de wet daarin niet uitdrukkelijk voorziet. Een uitzondering kan slechts worden gemaakt voor een reisverbod van korte duur (bijvoorbeeld niet meer dan drie maanden).
6.Faillissementsgijzeling - artikelen 87 en 88 Fw
Is verder het medelijden voor den failliet, die zonder geldige reden en opzettelijk eene wettelijke verplichting niet nakomt, niet misplaatst (…)?”
moestworden toegestaan indien het gegrond was ‘
op het zonder geldige reden opzettelijk niet nakomen van de verplichtingen hem opgelegd in de artikelen 91, 105 en 116’. Deze verplichting tot inbewaringstelling bestond naast de in art. 87 lid 1 Fw Pro (oud) neergelegde, algemeen geformuleerde bevoegdheid om een gefailleerde in verzekerde bewaring te stellen. [80]
moet’. [81]
Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat in verband met de zwaarwegende belangen van met name de gezamenlijke schuldeisers in faillissement beperking van de gijzelingsduur tot maximaal een jaar niet aangewezen lijkt. Het derde lid van artikel 87 Fw Pro, dat steeds verlenging van de faillissementsgijzeling voor ten hoogste dertig dagen toestaat, derogeert aldus aan de algemene regeling van het voorgestelde artikel 589, eerste lid Rv.”
onmiddellijk’ na de tenuitvoerlegging van het bevel tot faillissementsgijzeling dient te horen. [86]
Gevers q.q. [89] Het is in beginsel aan de curator, met het oog op het belang van de boedel, om te beslissen of en op welk moment hij tot tenuitvoerlegging van het bevel zal laten overgaan en met name of – in het geval hoger beroep tegen dat bevel is ingesteld – de behandeling van het hoger beroep kan worden afgewacht. [90]
inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de gefailleerde (nog) rechtvaardigt. [92] Daarbij moet de rechter het
recht op persoonlijke vrijheidvan de gefailleerde – dat zwaarder weegt naarmate de vrijheidsontneming langer duurt –
afwegen tegen de bij de inbewaringstelling betrokken belangen. Voor wat betreft de aldus in de afweging te betrekken belangen dient te worden gelet op de strekking van de faillissementsgijzeling: deze vrijheidsontneming is bedoeld als dwangmiddel tegen plichtverzuim (zie onder 6.2).
ultimum remediummoet zijn en achterwege moet blijven als er andere, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om het beoogde doel te bereiken (subsidiariteit, zie onder 4.8). [93] Bovendien moet er bij vrijheidsontneming die valt onder art. 5 lid 1 onderdeel Pro b EVRM een afweging worden gemaakt tussen enerzijds het recht op vrijheid en anderzijds het belang bij het nakomen van de wettelijke verplichting (proportionaliteit, zie onder 4.12-4.13).
verplichtom de mogelijkheid van minder ingrijpende alternatieven voor daadwerkelijke inbewaringstelling te bezien. Deze verplichting kan zich voordoen in het kader van beslissingen op een eerste verzoek om een bevel tot in verzekerde bewaringstelling of op een verzoek tot verlenging van een reeds gegeven bevel. [96] Maar ook bij afwijzing van een verzoek van de gefailleerde op de voet van art. 88 Fw Pro om hem uit de verzekerde bewaring te ontslaan of tot opheffing van het bevel, zal de rechter moeten onderzoeken of er een minder ingrijpend alternatief bestaat voor de faillissementsgijzeling, zoals schorsing onder voorwaarden.
7.Voorlopige hechtenis
ultimum remedium. Als het doel van de voorlopige hechtenis met een voor de verdachte minder bezwarend alternatief kan worden bereikt, verdient dat de voorkeur. [105]
het verwezenlijken van het doel der hechtenis’. [109] Ter controle kan elektronisch toezicht aan een bijzondere voorwaarde worden verbonden. [110]
gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming vordert’ (art. 67a lid 1 onder b Sv) – maar weinig ruimte laat om vervolgens de voorlopige hechtenis te schorsen en de verdachte alsnog in vrijheid te stellen. [116] De alternatieven voor voorlopige hechtenis zitten als het ware verscholen achter de voorlopige hechtenis. [117] Dat ligt, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, niet voor de hand. Bovendien draagt de wettelijke systematiek het risico in zich dat een bevel tot voorlopige hechtenis alleen wordt afgegeven om vervolgens de nodig geachte voorwaarden op te kunnen leggen. [118] Vanwege deze bezwaren heeft Van Veen al in 1974 gepleit voor een regeling die de rechter bevoegd zou maken bijzondere gedragsvoorwaarden op te leggen, zonder dat hij eerst voorlopige hechtenis hoeft te bevelen. [119]
schorsing(resulterend in hervatting van het bevel tot voorlopige hechtenis) kan de rechter op grond van art. 82 lid 1 Sv Pro te allen tijde bevelen, ambtshalve of op vordering van het Openbaar Ministerie. De schorsing kan dus niet alleen worden opgeheven als de verdachte de aan de schorsing verbonden bijzondere voorwaarden niet nakomt (vgl. de eerste zinsnede van art. 83 lid 1 Sv Pro). Omgekeerd hoeft overtreding van de voorwaarden overigens ook niet noodzakelijkerwijs te leiden tot opheffing van de schorsing. [122] De beslissingen tot schorsing, tot opheffing daarvan en die tot wijziging van beslissingen tot schorsing zijn dadelijk uitvoerbaar (art. 86 lid 5 Sv Pro).
nietdoor. [123] In de memorie van toelichting is hierover het volgende opgemerkt: [124]
toepassingwordt gegeven aan de huidige regeling van de voorlopige hechtenis, zo blijkt uit de concept-MvT. [130] Voorlopige hechtenis zou te veel en te gemakkelijk worden toegepast, het ultimum remedium-karakter zou in de praktijk onvoldoende tot zijn recht komen en van alternatieven voor voorlopige hechtenis in het kader van de schorsing onder voorwaarden (gedragsinterventies, huisarrest, contactverbod, borgsom, elektronisch toezicht) zou te weinig gebruik worden gemaakt. [131]
de regeling van de schorsing van de voorlopige hechtenis nader is uitgewerkt. De rechter krijgt op grond van de nieuwe regeling in alle gevallen de opdracht om na te gaan of de voorlopige hechtenis kan worden geschorst’ [135] (zie art. 2.5.31 Sv-nieuw). Verder worden de eventueel aan de schorsing te verbinden voorwaarden beter in de wet verankerd [136] (zie art. 2.5.33 Sv-nieuw), indien versie juli 2020 het Staatsblad haalt. Een wettelijke regeling van de schorsingsvoorwaarden bevordert onder meer de rechtszekerheid. [137] De voorgestelde regeling maakt een onderscheid tussen voorwaarden die van rechtswege, in alle gevallen, aan de schorsing zijn verbonden (lid 1) en de voorwaarden die door de rechter aan de schorsing kunnen worden verbonden (lid 2). [138] Bij dit laatste gaat het om voorwaarden die zijn toegesneden op de persoon van de verdachte en de omstandigheden van het geval. De wettelijke opsomming is overigens niet limitatief, in de zin dat lid 2 sub k de rechter de mogelijkheid biedt om ook andere voorwaarden kan opleggen indien deze verband houden met de gronden waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. [139]
8.Toelichting op het cassatiemiddel
ultimum remedium-karakter van vrijheidsontneming en de uit art. 5 EVRM Pro voortvloeiende verplichting om zo mogelijk minder ingrijpende alternatieven voor daadwerkelijke vrijheidsontneming toe te passen (het subsidiariteitsbeginsel, zie onder 4.14 en 4.17), moet de bevoegdheid om de inbewaringstelling te schorsen en daaraan voorwaarden te verbinden worden beschouwd als het ‘mindere’ dat ligt besloten in de in art. 87 Fw Pro neergelegde bevoegdheid de faillissementsgijzeling te bevelen (het ‘meerdere’). Dit is in lijn met literatuur en feitenrechtspraak (zie onder 6.17-6.18).
omdathij een wettelijke verplichting niet heeft nageleefd. Vrijheidsbeneming op grond van art. 5 lid 1 onder Pro b EVRM mag immers geen punitief karakter hebben (zie onder 4.10). [141] Het doel van de faillissementsgijzeling is ‘slechts’ het afdwingen van de nakoming van de wettelijke verplichtingen (zie onder 6.2-6.3). Dit impliceert dat als nakoming van die verplichtingen feitelijk onmogelijk is, de faillissementsgijzeling niet bevolen kan worden.
verplichtis om de mogelijkheid van minder ingrijpende alternatieven voor daadwerkelijke inbewaringstelling te bezien. Dit doet zich niet alleen voor in het kader van beslissingen op een eerste voordracht of verzoek om een bevel tot faillissementsgijzeling of op een voordracht of verzoek tot verlenging van een reeds gegeven bevel (zie ook hiervoor onder 6.19). Ook bij een verzoek van de gefailleerde op de voet van art. 88 Fw Pro om hem uit de faillissementsgijzeling te ontslaan of tot opheffing van het bevel moet de rechter onderzoeken of er reden voor schorsing bestaat, eveneens indien hij het verzoek afwijst.
voorzien bij wet’ en voldoen dus niet aan dit eerste vereiste. Dergelijke voorwaarden zijn naar mijn mening dan ook niet toelaatbaar, als het gaat om voorwaarden die een vrijheidsbeperkende strekking hebben en daarmee onder de reikwijdte van art. 2 Vierde Pro Protocol vallen.
diedoeleinden wordt afgewogen (zie onder 5.9). Het garanderen dat de gefailleerde beschikbaar is met het oog op de belangen van schuldeisers is door het EHRM als legitiem doel aanvaard (zie onder 5.7). Als de aan de schorsing verbonden voorwaarde niet kan bijdragen aan het legitieme doel, is deze evenwel niet toelaatbaar.