ECLI:NL:HR:1998:AA2563
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- De Moor
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over uitleg remittance clausule in belastingverdrag Nederland-VK inzake winst uit aanmerkelijk belang
De zaak betreft een beroep in cassatie door de erven van belanghebbende tegen een uitspraak van het Hof Amsterdam over de belastingheffing op winst uit aanmerkelijk belang die de erflater behaalde in 1989. Belanghebbende, een Nederlandse nationaliteit dragende non-domiciled resident in het Verenigd Koninkrijk, verkocht aandelen die een aanmerkelijk belang vormden en behaalde een aanzienlijke winst die niet in het VK werd belast vanwege het remittance-beginsel.
Het Hof had geoordeeld dat de remittance clausule in artikel 27, lid 1, van het belastingverdrag tussen Nederland en het VK van 1980 ook van toepassing was op vermogenswinsten uit aanmerkelijk belang, waardoor Nederland de winst kon belasten. De Hoge Raad stelt echter dat de term 'welke inkomsten dan ook' in die bepaling niet moet worden uitgelegd als zijnde gelijk aan 'bestanddelen van het inkomen', zoals in artikel 22 van Pro het verdrag, en dat vermogenswinsten niet onder deze clausule vallen.
De Hoge Raad baseert zich op de tekst en context van het verdrag, de Nederlandse wetgeving en internationale verdragsregels, en concludeert dat de remittance clausule niet geldt voor vermogenswinsten. De aanslag wordt daarom verminderd tot het belastbare inkomen exclusief de winst uit aanmerkelijk belang. Tevens worden proceskosten toegewezen aan de erven belanghebbende.
Deze uitspraak verduidelijkt de interpretatie van remittance clausules in belastingverdragen en bevestigt dat vermogenswinsten uit aanmerkelijk belang niet onder de remittance clausule van het verdrag Nederland-VK vallen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag inkomstenbelasting tot ƒ 265.926,--, waarbij de remittance clausule niet van toepassing is op vermogenswinsten uit aanmerkelijk belang.