Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Petruhhin. [4] In dat arrest is, kort samengevat, geoordeeld dat, indien een derde land een EU-lidstaat verzoekt om uitlevering ter vervolging van een onderdaan van een andere EU-lidstaat, de aangezochte lidstaat die andere lidstaat dient te informeren en die Unieburger in voorkomend geval dient over te leveren aan die andere lidstaat (in plaats van hem uit te leveren aan het derde land). Het HvJEU baseerde deze rechtsnorm – in het nu bestreden arrest kortweg aangeduid als “de informatieverplichting” (rov. 10) – op art. 18 en Pro 21 VWEU (het Unierechtelijke discriminatieverbod en het recht op vrij verkeer van Unieburgers).
Petruhhin, dat volgens hem ook betekenis heeft voor een verzoek om uitlevering ter executie van een vrijheidsstraf. Meer concreet betoogt de opgeëiste persoon dat door uitlevering aan Turkije, gevolgd door detentie aldaar, voor lange tijd een einde zal komen aan het
“family life”met zijn gezin. Hij stelt dat concrete alternatieven voor uitlevering bestaan die een minder ver gaande inbreuk op zijn gezinsleven maken, te weten het ondergaan van de opgelegde gevangenisstraf in Nederland of in Bulgarije. Volgens de opgeëiste persoon moet de Nederlandse Staat hetzij de tenuitvoerlegging van de in Turkije opgelegde gevangenisstraf overnemen, hetzij aanvullende actie ondernemen om de Bulgaarse autoriteiten in de gelegenheid te stellen dit te doen. [5]
Petruhhinte hebben voldaan: de Staat heeft de Bulgaarse autoriteiten op de hoogte gebracht van het Turkse uitleveringsverzoek. De Staat heeft hen, onder verwijzing naar het arrest
Petruhhin, in de gelegenheid gesteld om de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf aan zich te trekken. [6] Voor het overnemen van de tenuitvoerlegging door Nederland bestaat volgens de Staat geen verdragsrechtelijke basis. [7] De inmenging in het gezinsleven van de opgeëiste persoon wordt volgens de Staat gerechtvaardigd door de op de Staat rustende verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering.
Petruhhin(rov. 4.13 Rb). Het is aan de Bulgaarse autoriteiten om te bepalen welk instrument zij moeten of kunnen inzetten om de opgeëiste persoon naar Bulgarije te laten terugkeren (rov. 4.14 Rb). [8]
Petruhhinen het latere arrest
Pisciotti [10] reikt, kan niet los worden gezien van de desbetreffende overwegingen van het HvJEU en van het gemotiveerde beroep van de opgeëiste persoon op een dreigende schending van art. 8 EVRM Pro (rov. 11).
2.Inleidende beschouwingen
Uitlevering, overlevering en het Unierecht
‘extradition’) vervangen door een laagdrempeliger regime van overlevering van personen (
‘surrender’). Dit is gebaseerd op wederzijdse erkenning door de lidstaten van elkaars aanhoudingsbevelen. Dit regime is in 2002 tot stand gebracht door het Kaderbesluit betreffende het Europees Aanhoudingsbevel van de Europese Raad (hierna: Kaderbesluit EAB). [14] Nederland heeft dit besluit geïmplementeerd in de Overleveringswet (Olw). [15]
Petruhhin,
Pisciottien
Raugevicius.
Petruhhinopgevat als baanbrekend. Diverse auteurs hebben erop gewezen dat het arrest nieuwe vragen oproept. [18] Voor deze zaak is van belang de vraag of de informatieverplichting uit het arrest
Petruhhinook van toepassing is als het gaat om uitlevering ter executie van een vrijheidsstraf. De informatieverplichting als bedoeld in het arrest
Petruhhinis, als alternatief voor uitlevering aan een derde staat, slechts effectief (ter bescherming van het recht op vrij verkeer en om algehele straffeloosheid te voorkómen) indien de EU-lidstaat van nationaliteit daadwerkelijk medewerking verleent. Van enige
verplichtingvan EU-lidstaten om in zulke gevallen een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen lijkt geen sprake te zijn. [19] Voor het instellen van vervolging – en voor de bewijsgaring − is de lidstaat van nationaliteit op zijn beurt afhankelijk van de medewerking van het derde land, dat daartoe niet gehouden is. Het derde land zal daartoe ook niet altijd genegen zijn. In het verlengde hiervan klinkt kritiek op de door het HvJEU veronderstelde ‘voorrang’ van een Europees aanhoudingsbevel boven een verdragsrechtelijke verplichting van de aangezochte staat tot uitlevering. [20]
Petruhhin. [21] In een recent vonnis was de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van oordeel dat de Staat aan die verplichting had voldaan. [22]
Pisciottiuit 2018 [23] heeft het HvJEU verduidelijkt dat de aangezochte lidstaat tot uitlevering mag overgaan indien de voorgeschreven informatie-uitwisseling met de lidstaat van nationaliteit niet leidt tot een Europees aanhoudingsbevel. Het ging in die zaak om uitlevering van een Unieburger (de Italiaan Pisciotti), door een lidstaat waar hij op doorreis verbleef (Duitsland) aan een derde land waarmee de Unie een uitleveringsverdrag heeft gesloten (de VS). [24]
Petruhhin(punt 44 e.v.) en de daarin geformuleerde informatieverplichting (punt 51). Deze informatieverplichting geldt ook in de context van een uitleveringsverdrag waarbij de Unie partij is en waarin is voorzien in de weigering van uitlevering van onderdanen (punt 52). Het argument dat door de voorrang van het Europees aanhoudingsbevel de werking aan dat uitleveringsverdrag wordt ontnomen, doet volgens het HvJEU hieraan niet af (punt 53). De bedoelde voorrang is immers geen automatisme, maar een mogelijkheid (punt 54). In dit geval waren de Italiaanse autoriteiten op de hoogte van de situatie van Pisciotti, maar hebben zij geen Europees aanhoudingsbevel tegen hem uitgevaardigd (punt 55). Bij die stand van zaken verzette het Unierecht zich niet tegen de uitlevering (punt 56).
Pisciottiafgeleid dat de informatieverplichting uit het arrest
Petruhhinniet meer is dan een verplichting tot informatieverstrekking, zonder bijkomende inspanningsverplichtingen voor de aangezochte EU-lidstaat of voor de EU-lidstaat van nationaliteit. Coutts schrijft:
Petruhhinook van toepassing is als het gaat om een executie-uitlevering, kwam aan de orde in het arrest
Raugevicius. [26] Rusland verzocht Finland om uitlevering van Raugevicius, een Unieburger van Litouwse (en ook Russische [27] ) nationaliteit, die al lange tijd in Finland woonde en daar twee kinderen had van Finse nationaliteit. Anders dan in de zaken
Petruhhinen
Pisciotti,ging het in de zaak
Raugeviciusom een verzoek tot uitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een opgelegde gevangenisstraf. De Finse rechter vroeg het HvJEU of de informatieverplichting uit het arrest Petruhhin in die situatie ook geldt (vraag 1). Tevens stelde de Finse rechter de gevraag, hoe op een uitleveringsverzoek moet worden gereageerd wanneer de lidstaat van nationaliteit, na hierover te zijn geïnformeerd, geen actie onderneemt ten aanzien van zijn onderdaan (vraag 2).
Petruhhintoe te passen, omdat het uitlokken van een Europees aanhoudingsbevel geen passend alternatief is voor een executie-uitlevering. In plaats daarvan zou de aangezochte lidstaat zijns inziens moeten nagaan of, gelet op de band die de veroordeelde met deze lidstaat heeft, tenuitvoerlegging in deze lidstaat bevorderlijk is voor de sociale re-integratie van de veroordeelde na tenuitvoerlegging van de straf. Zo ja, dan zou de aangezochte lidstaat gebruik moeten maken van alle beschikbare instrumenten voor internationale samenwerking in strafzaken teneinde van de verzoekende staat toestemming te krijgen om de opgelegde straf op zijn grondgebied ten uitvoer te leggen, zo nodig na aanpassing van de straf aan zijn nationale strafwetgeving (par. 55 e.v. en 87).
Petruhhinaangenomen in het arrest
Raugevicius. Het HvJEU vatte de vragen aldus op, dat zij ertoe strekten te vernemen of de artikelen 18 en 21 VWEU zo moeten worden uitgelegd dat wanneer een derde land verzoekt om de uitlevering van een Unieburger die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, en dit verzoek wordt ingediend − niet met het oog op strafvervolging, maar − met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, de aangezochte lidstaat (waarvan het nationale recht zich verzet tegen de uitlevering van eigen onderdanen aan landen buiten de Unie met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf en voorziet in de mogelijkheid dat een dergelijke in het buitenland opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd op zijn grondgebied), verplicht is te onderzoeken of een maatregel bestaat die een alternatief voor uitlevering vormt en in geringere mate afbreuk doet aan de uitoefening van het recht van vrij verkeer. Na herhaling van enkele overwegingen uit het arrest
Petruhhin(in punt 27 e.v.), concentreert het HvJEU zich op de vraag welke alternatieven voor uitlevering beschikbaar zijn in geval van een verzoek om uitlevering ter executie van een vrijheidsstraf (punt 34 e.v.). Het HvJEU onderkent dat het opnieuw instellen van een strafvervolging kan indruisen tegen het
ne bis in idem-beginsel (punt 35 - 36). Het nationale en internationale recht kennen evenwel mechanismen die het mogelijk maken dat veroordeelden hun straf uitzitten in de staat waarvan zij onderdaan zijn, waardoor hun kansen toenemen op sociale re-integratie na het uitzitten van hun straf (punt 36 e.v.). Tegen die achtergrond maakt het HvJEU een vergelijking tussen Finse staatsburgers en “onderdanen van andere lidstaten met vaste verblijfplaats in Finland die aldus blijk geven van een zekere mate van integratie in de samenleving van deze staat”. Volgens het HvJEU is het de taak van de verwijzende rechter om na te gaan of Raugevicius behoort tot laatstgenoemde categorie (punt 46). Rekening houdend met de doelstelling dat straffeloosheid moet worden voorkomen, bevinden beide categorieën van personen zich immers in een vergelijkbare positie. [28] De artikelen 18 en 21 VWEU vereisen dat deze personen – door het HvJEU kortweg aangeduid als “onderdanen van andere lidstaten die permanent in Finland verblijven” – onder dezelfde voorwaarden als Finse staatsburgers hun straf kunnen uitzitten op Fins grondgebied (punt 47). Indien Raugevicius
niettot deze categorie van personen behoort, wordt zijn uitlevering beheerst door het toepasselijke nationale of internationale recht (punt 48). De aangezochte EU-lidstaat dient wel te toetsen of de uitlevering in overeenstemming is met het Handvest voor de grondrechten van de EU, in het bijzonder art. 19 daarvan Pro (zie punt 49). Het HvJEU heeft voor recht verklaard:
Raugeviciusbehelst voor gevallen waarin uitlevering ter executie is verzocht en de opgeëiste persoon
permanentop het grondgebied van de aangezochte staat verblijft, een beschermingsmechanisme dat verder reikt dan alleen een informatieverplichting (zoals in het arrest
Petruhhin). [29] Een kenmerkend verschil tussen beide arresten is, dat volgens het arrest
Raugeviciusde aangezochte lidstaat niet, zoals bij een vervolgingsuitlevering, moet samenwerken met de lidstaat waarvan de opgeëiste persoon de nationaliteit heeft, maar moet samenwerken met het derde land dat om uitlevering heeft verzocht. [30] Daarnaast is een verschil gelegen in de regel dat Unieburgers die zich met gebruikmaking van hun recht op vrij verkeer tussen de lidstaten, permanent hebben gevestigd in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, wat de uitlevering ter executie van een vrijheidsstraf betreft, zoveel mogelijk op dezelfde wijze moeten worden behandeld als een onderdaan van die lidstaat.
‘nationals’) te weigeren. Deze facultatieve weigeringsgrond, ook wel aangeduid als de ‘nationaliteitsexceptie’, wordt in veel uitleveringsverdragen erkend. Zoals advocaat-generaal Bot opmerkte (onder 51) in zijn conclusie voor het arrest
Petruhhin, wordt ter rechtvaardiging daarvan veelal verwezen naar de plicht van staten om hun burgers te beschermen tegen de toepassing van een vreemd strafrechtstelsel waarvan zij de procedure noch de taal kennen en in het kader waarvan zij zich moeilijk kunnen verdedigen.
vervolgingvindt hun uitlevering slechts plaats onder de voorwaarde van een terugkeergarantie. Deze regeling – die ook in art. 4 Uw Pro is neergelegd [34] – strekt ertoe dat Nederlanders een in het buitenland opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland kunnen uitzitten. De achterliggende gedachte is dat daarmee hun re-integratie in de Nederlandse samenleving wordt bevorderd. [35] In verband hiermee maakt de Verklaring een uitzondering voor geïntegreerde vreemdelingen die naar verwachting hun verblijfsrecht in Nederland zullen verliezen als gevolg van de tenuitvoerlegging: re-integratie in de Nederlandse samenleving is dan niet aan de orde.
‘aut dedere, aut iudicare’(ofwel uitleveren, ofwel vervolgen). [38] Dat adagium legt een verband tussen uitlevering en extraterritoriale rechtsmacht: uitlevering kan worden geweigerd ten aanzien van personen over wie de aangezochte partij zelf rechtsmacht kan uitoefenen. [39] Dit adagium – en ook de regel van art. 6 lid 2 EUV Pro [40] – strekt ertoe, te voorkomen dat in geval van niet-uitlevering de opgeëiste persoon straffeloos blijft. [41]
rechtmatigverblijf van vijf jaren op het grondgebied van een andere lidstaat een “duurzaam verblijfsrecht” aldaar. Onderdanen van derde landen hebben na diezelfde periode volgens art. 4 lid 1 van Pro Richtlijn 2003/109/EG aanspraak op de status van “langdurig ingezetene”. [44] Art. 21 en Pro art. 34 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 bepalen dat een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (onder bijkomende voorwaarden) kan worden verleend aan vreemdelingen die gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf hebben genoten in Nederland. [45] In art. 7 en Pro 86b Sr heeft de wetgever aansluiting gezocht bij deze regels. De memorie van toelichting verwijst naar het hieronder nog te bespreken arrest
Wolzenburg, [46] waaruit de wetgever afleidde dat het HvJEU een verblijfsduur van vijf jaren aanvaardt als “redelijke periode om een bepaalde mate van integratie in Nederland te verzekeren voordat onderdanen uit andere lidstaten van de Europese Unie op gelijke voet met eigen onderdanen worden behandeld”. [47]
Kozłowskiuit 2008 [52] heeft het HvJEU de begrippen ‘ingezetene’ en ‘verblijf’ aldus uitgelegd, dat het erop aankomt of de gezochte persoon zijn “werkelijke verblijfplaats” heeft gevestigd in de uitvoerende lidstaat (in welk geval hij kwalificeert als ‘ingezetene’), dan wel “op grond van een duurzaam verblijf in deze lidstaat gedurende een bepaalde periode, een band met deze staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene” (in welk geval hij daar verblijft). Bij het beoordelen van de “band” met de EU-lidstaat van verblijf, dient de nationale rechter volgens het HvJEU te letten op “objectieve elementen die de situatie van deze persoon kenmerken, waaronder met name de duur, de aard en de voorwaarden van het verblijf van de gezochte persoon, evenals de familiale en economische bindingen die deze persoon met de uitvoerende lidstaat heeft”. Het HvJEU verwees in punt 45 in dit verband naar de doelstelling van art. 4, punt 6, Kaderbesluit EAB, namelijk het bevorderen van de sociale re-integratie van de gezochte persoon na het einde van de straf.
Kozłowskivraagtekens geplaatst bij art. 6 lid 5 Olw Pro. Volgens hen zou de weigering van overlevering van Unieburgers zonder Nederlandse nationaliteit niet afhankelijk moeten zijn van hun formele verblijfsstatus, maar van een materieel criterium: het bestaan van “een uit het oogpunt van sociale reïntegratie voldoende feitelijke en juridische band met Nederland”. Zij verwijzen in dit verband naar de Nederlandse Verklaring bij art. 6 EUV Pro, geciteerd in alinea 2.19 hiervoor. Die Verklaring knoopt aan bij de mate van integratie in de Nederlandse samenleving zonder de eis te stellen van een permanente verblijfsvergunning. [53]
Wolzenburguit 2009 [54] , naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Amsterdam, heeft het HvJEU geoordeeld dat de in art. 6 lid 5 Olw Pro gestelde formele eis van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als voorwaarde voor toepassing van de weigeringsgrond van art. 4, punt 6, Kaderbesluit EAB, in strijd is met het Unierecht (punt 48 e.v.). De achterliggende, materiële eis dat sprake is van een
ononderbroken verblijf van vijf jarenheeft het HvJEU daarentegen
nietin strijd geacht met het Unierechtelijke discriminatieverbod (zie punt 54 e.v. van het arrest). Het HvJEU verwees in dit verband naar de ratio van deze weigeringsgrond, die het “mogelijk moet maken dat bijzonder gewicht wordt toegekend aan de mogelijkheid, de kansen op sociale re-integratie van de gezochte persoon na het einde van de straf waartoe deze is veroordeeld, te verhogen” (punt 62). De uitvoerende lidstaat kan volgens het HvJEU deze doelstelling van sociale re-integratie op goede gronden enkel nastreven ten aanzien van “personen die een zekere mate van integratie in de samenleving van die lidstaat hebben aangetoond” (punt 67). De eis van een ononderbroken verblijf van vijf jaar kan volgens het HvJEU worden beschouwd als een “garantie dat de gezochte persoon in de uitvoerende lidstaat voldoende is geïntegreerd”. Daarentegen zal een gemeenschapsonderdaan (thans: Unieburger) die niet de nationaliteit van de uitvoerende lidstaat heeft en die
nietgedurende een bepaalde tijd ononderbroken verblijf op het grondgebied van die staat heeft gehad, “in het algemeen meer banden met zijn lidstaat van herkomst hebben dan met de samenleving van de uitvoerende lidstaat” (punt 68). Het HvJEU acht het vereiste van een ononderbroken verblijf gedurende vijf jaren in deze context niet buitensporig (punt 70). Het HvJEU merkte op dat voormelde Burgerschapsrichtlijn hetzelfde verblijfsduur-criterium hanteert (punt 71) en dat ook het − hierna nog te bespreken − Kaderbesluit tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen daaraan refereert (punt 72). Al met al oordeelt het HvJEU dat een “voorwaarde inzake een ononderbroken verblijf van vijf jaar”, zoals voorzien in art. 6 lid 5 Olw Pro, niet verder gaat dan noodzakelijk is met het oog op “de doelstelling, een bepaalde mate van integratie in de uitvoerende lidstaat van gezochte personen die onderdaan zijn van andere lidstaten te verzekeren” (punt 73).
Wolzenburgen de regeling van art. 6 lid 5 Olw Pro. Hij heeft erop gewezen dat art. 4, punt 6, van het Kaderbesluit EAB, zoals uitgelegd in het arrest
Kozłowski, een
kwalitatiefcriterium behelst, terwijl art. 6 lid 5 Olw Pro een
kwantitatiefvereiste stelt. De justitiële samenwerking in strafzaken zou volgens Keijzer moeten strekken tot “tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen op de onder meer uit een oogpunt van resocialisatie meest geëigende plaats”.
Wolzenburg, aan de weigering van de overlevering van vreemdelingen niet de
formeleeis van een permanente verblijfsvergunning wordt gesteld, maar wel de
materiëleeis van een onafgebroken verblijf van vijf jaren. [55]
Kozłowskigeformuleerde criteria en daarmee tot minder weigeringen leidt, in materiële zin heeft aanvaard. Mogelijk heeft het HvJEU in het arrest
Kozłowskieen ‘minimum-interpretatie’ gegeven, die geen ruimere, maar wel een striktere uitleg van de desbetreffende weigeringsgrond toelaat. [60] Of het HvJEU de striktere eis van vijf jaren onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland ook aanvaardt waar het de uitlevering van Unieburgers
aan derde landenbetreft, lijkt mij geen uitgemaakte zaak.
‘aut dedere, aut iudicare’). Bij verzoeken om executie-uitlevering ligt het (opnieuw) instellen van strafvervolging in de aangezochte staat niet voor de hand, gezien het
ne bis in idem-beginsel dat ook in het internationale recht wordt erkend (vgl. art. 9 EUV Pro). Als mogelijk alternatief voor uitlevering dient tenuitvoerlegging van de straf in de aangezochte staat zich aan (
‘aut dedere, aut punire’). [61]
Raugeviciusverwijst A-G Bot naar deze gezichtspunten, die volgens hem naar analogie kunnen worden toegepast bij een verzoek om executie-uitlevering van Unieburgers aan derde landen. Hij acht deze van belang bij de beantwoording van de vraag of de Unieburger een zodanige band heeft opgebouwd met de aangezochte lidstaat, dat vanuit een oogpunt van resocialisatie tenuitvoerlegging van de straf aldaar de voorkeur verdient. [67]
‘national’) is van de Staat van tenuitvoerlegging (art. 3 lid 1 onder Pro a VOGP). Evenals het EUV (zie alinea 2.19) laat het VOGP de definitie van dit begrip over aan de verdragsluitende partijen (art. 3 lid 4 VOGP Pro). De Nederlandse verklaring bij art. 3 VOGP Pro luidt:
‘exceptional circumstances’) meer gewicht in de schaal dan de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. [84] In de praktijk wordt een beroep op art. 8 EVRM Pro in uitleveringszaken zelden gehonoreerd. [85]
Petruhhinheeft het HvJEU geoordeeld dat, in geval van een verzoek om uitlevering van een Unieburger aan een derde land, de aangezochte lidstaat moet nagaan of de uitlevering geen afbreuk doet aan de in art. 19 EU Pro-Handvest neergelegde rechten. [86] Met betrekking tot de andere in het EU-Handvest beschermde grondrechten heeft het HvJEU (vooralsnog) niet een dergelijke verificatieplicht in uitleveringszaken aanvaard. Toegespitst op art. 7 EU Pro-Handvest moet, gezien de in alinea 2.45 besproken EHRM-rechtspraak en het in alinea 2.46 besproken artikel 52 lid 3 EU Pro-Handvest, worden aangenomen dat het gezinsleven van de opgeëiste persoon slechts in uitzonderlijke situaties prevaleert boven de op de aangezochte lidstaat rustende verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering.
3.Bespreking van de wederzijdse cassatiemiddelen
Raugeviciusnog niet gewezen. In navolging van partijen is het hof voorshands ervan uitgegaan dat een informatieverplichting als bedoeld in het arrest
Petruhhinook geldt ingeval aan een EU-lidstaat uitlevering is verzocht ter executie van een vrijheidsstraf. [87] Het hof heeft de informatieverplichting uit het arrest
Petruhhinzo opgevat dat deze
medenoopte tot redelijke inspanning van de Nederlandse regering om de dreigende inbreuk op het gezinsleven van de opgeëiste persoon te voorkomen of te beperken, door aan de Bulgaarse autoriteiten
specifiekeinformatie te verstrekken omtrent de opgeëiste persoon, zijn gezinsomstandigheden en de dreigende inbreuk op zijn gezinsleven (rov. 12). Dat heeft de Staat volgens het hof nagelaten.
principaal cassatiemiddelklaagt de Staat dat het hof hiermee de informatieverplichting te ruim heeft opgevat. Volgens de Staat kon hij ermee volstaan, de Bulgaarse autoriteiten op de hoogte te brengen van het Turkse uitleveringsverzoek en, in voorkomend geval, de opgeëiste persoon over te leveren aan Bulgarije. De bescherming van grondrechten van de opgeëiste persoon dient volgens de klacht tot uitdrukking te komen bij de toetsing van de uitlevering als zodanig; niet (ook) in het kader van de eisen die aan het verstrekken van informatie door de Staat aan de Bulgaarse autoriteiten worden gesteld. [88] Een inbreuk op het gezinsleven van de opgeëiste persoon vloeit onvermijdelijk voort uit de detentie en de daaraan vooraf gaande veroordeling tot een vrijheidsstraf. Die beperking is voorzien bij de wet en als zodanig toelaatbaar. Het is aan de Bulgaarse autoriteiten − niet aan de Nederlandse regering − om te beoordelen of zij de opgeëiste persoon wensen te vervolgen dan wel de tenuitvoerlegging van de door de Turkse rechter opgelegde gevangenisstraf wensen over te nemen. De opgeëiste persoon had, met het oog daarop, ook zelf de Bulgaarse autoriteiten kunnen benaderen. [89]
Petruhhinook betekenis heeft voor een executie-uitlevering, ter beantwoording voorlag in de prejudiciële procedure die later tot het arrest
Raugeviciusheeft geleid. In de schriftelijke toelichting in cassatie heeft de Staat, in reactie op het arrest
Raugevicius, alsnog het standpunt ingenomen dat de informatieverplichting als bedoeld in het arrest
Petruhhinin dit geval niet van toepassing is. Volgens de Staat heeft hij, door de Bulgaarse autoriteiten te informeren over het Turkse uitleveringsverzoek, achteraf beschouwd, zelfs méér gedaan dan hij had moeten doen. [90]
Raugeviciusheeft de Staat verder betoogd dat de opgeëiste persoon niet kan worden beschouwd als iemand die in Nederland een vaste verblijfplaats heeft en blijk geeft van een zekere mate van integratie in Nederland, zoals bedoeld in dat arrest. De Staat verwijst in dit verband naar de hiervoor in alinea 2.32 besproken ‘Circulaire werkwijze in uitleveringszaken’ en het daarin neergelegde, aan art. 6 lid 5 Olw Pro ontleende verblijfsduur-criterium. Volgens de Staat voldoet de opgeëiste persoon niet aan dat criterium, omdat hij op 13 november 2017 – de datum waarop de minister de verzochte uitlevering heeft toegestaan – nog geen vijf jaren in Nederland verbleef. [91] Bij nota van repliek (onder 8) heeft de Staat, onder verwijzing naar zijn stellingen in eerste en tweede aanleg, aangevoerd dat reële alternatieven voor de uitlevering aan Turkije in dit geval ontbreken.
incidenteel cassatiemiddelkomt neer op de klacht dat het hof de informatieverplichting juist te eng heeft opgevat. Volgens de opgeëiste persoon heeft het hof miskend dat de Staat in dit geval niet kan volstaan met het verstrekken van informatie aan de Bulgaarse autoriteiten, maar actief moet bevorderen dat de opgeëiste persoon zijn straf zal kunnen ondergaan in een EU-lidstaat waarmee hij een band heeft: in Bulgarije of in Nederland. [92] Steun voor dit standpunt is volgens de opgeëiste persoon te vinden in het arrest
Raugevicius. [93] In reactie op het in de vorige alinea weergegeven betoog van de Staat, heeft de opgeëiste persoon bij nota van dupliek (onder 3) gewezen op het feit dat hij sinds februari 2014 met zijn vrouw en kinderen in Nederland woont, en aangevoerd dat hij – anders dan Raugevicius, die zowel de Litouwse als de Russische nationaliteit had – geen enkele band heeft met het derde land dat om zijn uitlevering heeft verzocht (Turkije). Verder heeft de opgeëiste persoon aangevoerd dat het door de Staat gehanteerde verblijfsduur-criterium onverenigbaar is met de rechtspraak van het HvJEU. Uit die rechtspraak zou volgen dat het niet zozeer aankomt op een minimale verblijfsduur (van, in dit geval, vijf jaar), maar op de vraag of de opgeëiste persoon een reëel toekomstperspectief in Nederland heeft. [94]
Raugeviciuseen samenwerking voor die erop gericht is, te bewerkstelligen dat de opgeëiste persoon zijn straf kan uitzitten op de plaats waar zijn kansen op sociale re-integratie het grootst zijn. In dit opzicht mag de aangezochte lidstaat onderdanen van andere lidstaten die
permanentop zijn grondgebied verblijven niet anders behandelen dan zijn eigen onderdanen. Het is aan de nationale rechter om te beslissen of in een concreet geval is voldaan aan het criterium ‘permanent’ verblijf.
Petruhhinte ruim, respectievelijk te eng, heeft uitgelegd. Dat criterium blijkt hier niet van toepassing te zijn. Partijen hebben in de fase van het hoger beroep geen rekening kunnen houden met de beoordelingsmaatstaf die volgens het latere arrest
Raugeviciushad moeten worden aangelegd. Evenmin kon het gerechtshof hiermee rekening houden. Daarom moet mijns inziens, op basis van het principaal cassatiemiddel (voor zover dit inhoudt dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de informatieverplichting uit het arrest Petruhhin) en op basis van het incidenteel cassatiemiddel (voor zover dit inhoudt dat de Staat méér had moeten doen dan enkel de Bulgaarse autoriteiten in kennis stellen van het Turkse uitleveringsverzoek), vernietiging en verwijzing plaatsvinden, waarna partijen hun stellingen zo nodig kunnen aanpassen. [95] De verwijzingsrechter behoort dan alsnog te beoordelen of het verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland valt aan te merken als ‘permanent’ verblijf in Nederland, in de zin van het arrest
Raugevicius. Zo ja, dan geniet de opgeëiste persoon dezelfde bescherming als een Nederlands onderdaan.
Raugevicius, toelaat dat de aangezochte lidstaat (in dit geval: Nederland) de weigering van uitlevering van onderdanen van andere EU-lidstaten die feitelijk op zijn grondgebied verblijven, afhankelijk stelt van een minimumverblijfsduur (in dit geval: een rechtmatig verblijf in Nederland van ten minste vijf jaren vóór de beslissing van de minister tot uitlevering). Het valt op, dat de A-G Bot in zijn conclusie voor het arrest
Raugeviciuseen benadering lijkt te kiezen die meer is afgestemd op het individuele re-integratieperspectief van de opgeëiste persoon, [96] terwijl het HvJEU in dat arrest objectieve bewoordingen gebruikt, die wellicht (mede) zijn geënt op de Burgerschapsrichtlijn waarop de Staat zich in cassatie beroept.
verplichtis. [97] In cassatie staat weliswaar vast dat de opgeëiste persoon sinds februari 2014 in Nederland verblijft en dat de minister op 13 november 2017 op het uitleveringsverzoek heeft beslist, maar daartegenover staat dat volgens art. 6, lid 1 onder c, EUV de ‘nationaliteitsexceptie’ mede kan worden ingeroepen ten aanzien van opgeëiste personen aan wie ná de beslissing tot uitlevering, maar vóór het moment van uitlevering de status van onderdaan is toegekend. Het debat is nog niet voltooid ten aanzien van de vraag hoe ver de gelijkstelling kan worden doorgetrokken.
Raugeviciusis essentieel of in het concrete geval wel of niet sprake is van een ‘permanent’ verblijf in de aangezochte EU-lidstaat. Het arrest
Raugeviciusgeeft niet een eigen, Unierechtelijke definitie van het begrip ‘permanent verblijf’. Daar had de Finse rechter het Hof ook niet om gevraagd. In overweging 46 van dat arrest oordeelt het HvJEU dat het aan de nationale rechter (van de aangezochte Staat) is, om na te gaan of de opgeëiste persoon behoort tot de categorie onderdanen van andere lidstaten met een vaste verblijfplaats in de aangezochte Staat, die aldus blijk geven van een zekere mate van integratie in de samenleving van deze Staat. Dat oordeel stond, blijkens diezelfde overweging 46, in het teken van het voorkómen van straffeloosheid: daarbij behoort geen onderscheid te worden gemaakt tussen eigen onderdanen van de aangezochte Staat en voormelde categorie van personen. Plat gezegd: het Unierecht mag niet door een burger van de Unie worden misbruikt om te ontkomen aan de rechtmatige tenuitvoerlegging van een onherroepelijk geworden door een rechter opgelegde vrijheidsstraf. Maar in de onderhavige zaak gaat het om iets anders: mogen de autoriteiten (en mogen de rechters) van de aangezochte Staat, die een beslissing moeten nemen over de vraag of sprake is van een ‘permanent verblijf’ van de opgeëiste persoon in de aangezochte Staat, de voorwaarde stellen van een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren voorafgaand aan de beslissing tot uitlevering? De verwijzing, bij analogie, in overweging 46 van het arrest
Raugeviciusnaar punt 67 van het arrest
Wolzenburgsuggereert dat de in punt 67 genoemde maatstaf (sociale re-integratie) ook hier van toepassing is. Punt 68 van het arrest
Wolzenburglaat ruimte voor een nationale regel die de voorwaarde van een ononderbroken verblijf van vijf jaren in de aangezochte staat stelt, als garantie dat de gezochte persoon in de uitvoerende lidstaat voldoende is geïntegreerd (zie ook alinea 2.29 hiervoor).
overdracht van tenuitvoerlegging, gaat het Nederlandse beleid kennelijk uit van een
feitelijkcriterium voor het aannemen van de vereiste band met Nederland [98] . Volgens dat criterium zou doorslaggevend zijn waar de kansen op re-integratie van de gevonniste persoon het grootst zijn (zie de alinea’s 2.400 – 2.41 hiervoor). Over de mogelijkheid van een overdracht van tenuitvoerlegging door Turkije aan Nederland, als alternatief voor uitlevering, heeft in de feitelijke instanties nog geen voldragen partijdebat plaatsgevonden. Geldt, naar nationaal recht, dat beleid ook indien een verdragsbepaling Nederland
verplichttot uitlevering van die persoon aan een derde land? Ook die mogelijkheid zal na cassatie en verwijzing moeten worden onderzocht, aangezien de rechtspraak van het HvJEU met zich brengt dat alle beschikbare alternatieven voor uitlevering van een Unieburger moeten worden onderzocht.
‘family life’van de opgeëiste persoon (vgl. alinea 2.45 hiervoor). De opgeëiste persoon heeft in appel daarop een beroep gedaan.