Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 26 juni 2018
[appellant],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- i) Bij uitlevering bestaat een concreet risico op schending van artikel 3 EVRM Pro. [appellant] wijst in dat verband op de slechte detentieomstandigheden in Turkse gevangenissen na de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016, in het bijzonder de overbevolking in die gevangenissen en de beperkte medische voorzieningen, waardoor zijn gezondheid gevaar loopt (dit in verband met zijn hartproblemen).
- ii) Uitlevering levert een schending op van artikel 8 EVRM Pro (recht op respect voor het gezinsleven).
- iii) Uitlevering levert een schending op van de artikelen 18 en 21 VWEU (discriminatieverbod resp. het recht op vrij verkeer van EU-burgers). [appellant] beroept zich in dat verband op het hiervoor genoemde Petruhhin-arrest van het HvJ EU van 6 september 2016.
in Turkijeis die het gezinsleven van [appellant] teniet zou doen. [appellant] voert aan dat zijn familie geen enkele band met Turkije heeft, dat zijn vrouw en kinderen de taal niet spreken en dat zij geen enkele mogelijkheid hebben om zich daar te vestigen. Zelfs een bezoek aan de gevangenis in Turkije zou bijzonder gecompliceerd zijn door de jonge leeftijd van de kinderen, de lange reisduur en de financiële situatie ([appellant] is kostwinner). Gelet op de ervaringen in andere Turkse uitleveringszaken is het volgens hem zelfs de vraag of de kinderen toestemming zullen krijgen om hun vader in detentie te bezoeken. De minderjarige kinderen van een andere cliënt van de advocaat van [appellant], die in 2015 vanuit Nederland aan Turkije werd uitgeleverd, is tot nu toe de toegang tot de gevangenis geweigerd omdat zij de Turkse nationaliteit niet bezitten, aldus [appellant]. Door uitlevering zou dus een eind komen aan het “family life” van [appellant] en zijn gezin. [appellant] betoogt dat staten volgens vaste jurisprudentie van het EHRM de beperking van de door artikel 8 EVRM Pro beschermde rechten tot een minimum dienen te beperken en actief naar alternatieven dienen te zoeken. Zij moeten een zorgvuldige afweging maken tussen hetgeen noodzakelijk is in een democratische samenleving en de rechten van de betrokkene en moeten kiezen voor de minst ingrijpende maatregel. Uitlevering aan Turkije is juist het meest ingrijpend, terwijl er concrete alternatieven zijn, te weten het ondergaan van zijn gevangenisstraf in Nederland of Bulgarije. Indien [appellant] zijn straf in Bulgarije zou uitzitten zou zijn gezin hem wel kunnen volgen, aldus [appellant].