4.2.De bewezenverklaring berust op de volgende door het hof uit het vonnis van de rechtbank overgenomen bewijsmiddelen:
‘’De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen wat onder 2, 3, 6, 7, 8 en 9 ten laste is gelegd. De redengevende feiten en omstandigheden die tot deze conclusie zullen hierna worden weergeven. Allereerst zal de rechtbank de bewijsmiddelen opnemen die voor alle bewezen feiten van belang zijn en vervolgens per feit de bewijsmiddelen die uitsluitend op het betreffende feit zien.
Bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2, 3, 6, 7, 8 en 9
Verdachte heeft, gevraagd naar de reden van oprichten van de vennootschap, enkel verklaard dat dit te maken had met het toch iets willen betekenen in de maatschappij en dat de tweede persoon, die blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel in deze onderneming werkzaam zou zijn, een fictieve persoon is. Verdachte verklaart voorts dat hij nauwelijks in de door hem gehuurde kantoorunit is geweest. De keren dat hij daar wel is geweest, waren dit een paar minuten in de avonduren, omdat ’s avonds de door hem bestelde goederen werden bezorgd. Dat verdachte nauwelijks in de door hem gehuurde kantoorunit is geweest wordt bevestigd door de verhuurster hiervan, die heeft verklaard dat zij verdachte in de periode van 13 juni 2016 tot 1 juli 2016 driemaal heeft gezien in de kantoorunit, telkens te kort om te kunnen werken.
Verdachte heeft ter zitting onder meer verklaard:
Ik heb een uitkering van 923 euro per maand en krijg zorgtoeslag. Ik heb een schuld van 35.000 euro bij het CJIB in verband met eerdere zaken, daar hoort ook de zaak uit 2015 bij (
de rechtbank begrijpt: Rb Midden-Nederland 14 juli 2015, 16/661629-14). Ik los die schuld af in maandelijkse termijnen van € 35,-. Dat doe ik al sinds 2010, maar door nieuwe zaken is de schuld al die tijd alleen maar opgelopen. Zoals nu met [B] is in het verleden meerdere keren gebeurd. Het lukt mij niet om mij staande te houden in het normale arbeidsproces.
Bewijsmiddelen per feit
Feit 2
- De bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 20 oktober 2016.
Ik was bezig met het onderzoek naar [B] . Tijdens het onderzoek was ik bezig met het inventariseren wie er gedupeerd zou zijn. Een van die personen was [betrokkene 1] van [A] , gevestigd aan het [a-straat] te Amsterdam. Ik ontving een emailbericht van collega [verbalisant 2] met de volgende inhoud:
“Voor mij verscheen [betrokkene 1] , werkzaam voor [A] . [betrokkene 1] verklaarde het volgende. Op 9 juli 2016 kregen wij van [B] een verzoek voor het boeken van tickets voor reizen naar Rusland en Oekraïne voor 1 à 2 keer per maand. Het eerste ticket zou moeten worden geboekt voor 31 juli 2016 naar Kiev met als retourdatum 14 augustus 2016 naar Amsterdam.
Ons bedrijf hanteert de volgende criteria voor nieuwe klanten:
- Er moet ons een uittreksel gestuurd worden van de Kamer van Koophandel;
- Er moet een kopie gemaakt worden van de creditcard als betalingsgarantie;
- De gegevens van de klant welke op het paspoort staan moeten aan ons doorgegeven worden.
Aan bovenstaande criteria werd door [B] voldaan.
Eigenaar van [B] is: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1957.
De tickets werden door ons geboekt op naam van [verdachte] met een totaalbedrag van EUR 735,68. Echter het bedrag werd niet voldaan.’’
- De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2017
Het klopt dat ik via [A] een retourreis heb geboekt. Ik heb tickets ontvangen. Daarmee kon ik de heenreis naar Kiev maken. Ik zat in de Oekraïne toen door hen de terugreis is geannuleerd. Van het retourticket kon ik daarom geen gebruik maken.
Feit 3.
- De aangifte van [betrokkene 2] namens [C] , d.d. 1 oktober 2016
Ik ben eigenaar van [C] . Op zaterdag 9 juli 2016 ontving ik een bericht van het mailadres [e-mailadres] . In las in dit bericht dat een persoon genaamd [verdachte] een prijsopgaaf bij mij vroeg voor de opening van hun kantoor welke zij gepland hadden op vrijdag 15 juli. Ik las dat hij mij een opgave vroeg voor 30 flessen wijn, 40 wijnglazen en 2 kurkentrekkers.
Ik las dat hij wenste te betalen na levering en dan via een factuur.
Op 13 juli las ik dat hij een iets gewijzigde bestelling bij ons plaatste van 48 flessen wijn, 42 wijnglazen en 3 kurkentrekkers.
Even later ontving ik een mail waarin ik las dat hij in plaats van 42 nog maar 12 glazen wilde ontvangen.
Ik heb vervolgens zelf op donderdag 14 of vrijdag 15 juli de bestelling ter waarde van EUR 725,20 afgeleverd op het opgegeven adres, [b-straat] te Amersfoort. Ik leverde de bestelling persoonlijk aan [verdachte] af.
Ik zag dat bij de ingang van het kantoor op genoemd adres een bordje stond met daarop [B] . Ik trof de heer [verdachte] in een nieuw uitziende kantoorruimte. Ik zag dat hij bezig was met het uitpakken van dozen. Alles wees erop dat inderdaad een nieuw bedrijf werd opgestart.
Ik heb de factuur verstuurd en enkele weken later een herinnering verstuurd omdat het verschuldigde bedrag niet werd voldaan.
- De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2017
Het klopt dat ik correspondentie heb gevoerd met [betrokkene 2] over wisselende aantallen te bestellen wijn, glazen en kurkentrekkers. Hij heeft die wijn bij mij afgeleverd. Die is niet betaald. Ik weet niet waar de wijn is gebleven, ik heb de wijn niet zelf opgedronken.
Feit 6.
- De aangifte van [betrokkene 3] namens [D] , d.d. 31 oktober 2016
Ik ben eigenaar van [D] . Op vrijdag 1 juli 2016 ontving ik een e-mailtje van het e-mailadres [e-mailadres] . De persoon gaf aan dat hij voor zijn onlangs gevestigde juridische adviespraktijk een aantal dingen wilde bestellen, zoals een aantal planten en potten. Ik zag geen naam onderaan de mail staan. Ik heb de persoon teruggemaild en een offerte toegestuurd. Op 5 juli 2016 ontving ik van genoemd e-mailadres wederom een e-mail. De man gaf aan dat hij de bestelling van 1 juli 2016 zo spoedig mogelijk wilde ontvangen. Onderaan deze e-mail stond als afzender mr. [verdachte] met bedrijfsgegevens [B] , gevestigd aan de [b-straat] te Amersfoort.
Op woensdag 6 juli gaf de heer [verdachte] opnieuw aan dat hij de planten en accessoires wilde bestellen. De heer [verdachte] wilde de bestelling ontvangen op vrijdag 15 juli 2016, voor 12.00 uur. Mijn medewerkster [betrokkene 4] heeft de bestelling afgeleverd. Zij heeft de bestelling persoonlijk overhandigd aan een man die zich voorstelde als de heer [verdachte] . Op maandag 18 juli 2016 hebben wij een factuur verzonden. Wij ontvingen hier geen reactie op. Ook ontvingen wij geen betaling.
- De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2017
Het klopt dat de potten en planten door de bloemist zijn afgeleverd op de [b-straat] .
Feit 7.
- De aangifte van [betrokkene 5] namens [E] , d.d. 24 oktober 2016
Mijn bedrijf [E] levert alle dingen die je op een kantoor nodig hebt, van wc-papier tot pennen en papier.
Op 24 mei 2016 kreeg ik een e-mail van [B] , geschreven door [verdachte] , met de vraag of ik kantoorartikelen op rekening kon leveren, omdat hij een juridische adviespraktijk ging beginnen in Amersfoort. Op 25 mei 2016 heb ik telefonisch contact gehad met [verdachte] . Op 26 mei 2016 zag ik dat er een bestelling binnenkwam van in totaal € 775,14. Mijn leverancier heeft deze bestelling op 30 mei 2016 afgeleverd op de [c-straat] te Amersfoort. Ik heb de afspraak met hem dat de eerste factuur binnen 8 dagen betaald zou worden op het rekeningnummer van mijn bedrijf, [E] .
Op 30 mei kreeg ik nog een bestelling binnen. Op 31 mei zag ik dat ik nog een bestelling binnen kreeg van [verdachte] . Op 1 juni 2016 werd ik gebeld door [verdachte] of ik een rode bureaustoel kon leveren. Ik heb toen een bureaustoel bij de bestelling opgeteld. De bureaustoel is enkele dagen later geleverd.
Ik heb nog een aantal andere bestellingen van hem gehad, maar die zijn niet geleverd. Ik had ongeveer 3x per week wel contact met hem. Ik hoorde dat hij elke keer andere smoesjes had om niet te betalen. Ik geloofde ongeveer 2 maanden in zijn smoesjes.
- De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2017
De artikelen van [E] is hetzelfde verhaal. Die heb ik besteld terwijl ik in een roes zat. Ze zijn afgeleverd.
Feit 8:
- De aangifte van [betrokkene 6] namens [F] , d.d. 21 oktober 2016;
Ik werd midden mei 2016 telefonisch benaderd door [verdachte] , geboren [geboortedatum]1957. Ik ben zelfstandig ondernemer en ben eigenaar van [F] . Dit is een online marketing en design bedrijf. De heer [verdachte] vertelde mij dat hij mij via Google had gevonden en dat hij voor zijn juridisch adviesbureau een website wilde. Hij wilde dat ik de website ging ontwikkelen.
Ik heb de heer [verdachte] op 24 mei 2016 persoonlijk ontmoet. We hebben de plannen voor de website besproken. We hebben het gehad over het logo voor het bedrijf, over het briefpapier, samengevat het ontwikkelen van een huisstijl. Alles wat voor een bedrijf ontworpen kan worden, moest ik voor hem ontwikkelen.
Ik heb alles waarvoor de heer [verdachte] opdracht heeft gegeven, uitgewerkt. Ik ben begonnen met het maken van een huisstijl. Het ontwerpen van de website heb ik later gestart.
Ik heb de heer [verdachte] een offerte gestuurd en de heer [verdachte] heeft de e-mail met akkoord bevestigd.
Ik ben vervolgens aan de slag gegaan voor de heer [verdachte] .
Ik had voor de heer [verdachte] stickers met het logo van zijn bedrijf laten printen. Deze heb ik op de [c-straat] , voor de deur, afgeleverd. De factuur van de stickers heeft hij naar mij overgemaakt.
Toen ik alle opdrachten had volbracht, heb ik de heer [verdachte] een factuur van het ontwikkelen van de huisstijl gestuurd. De betaling bleef uit.
- De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2017
Het klopt dat ik met [betrokkene 6] uitgebreid heb gecorrespondeerd. Zij heeft werk verricht. Alles klopt, behalve dat de website is opgeleverd. Dat ik niet gebeurd. [betrokkene 6] wilde dat ik teksten zou aanleveren voor de website, omdat zij het ontwerp zo goed als klaar had. Ik heb het ontwerp zelf nooit gezien. Ik heb ook geen teksten aangeleverd, daar was ik helemaal niet mee bezig.
Feit 9:
- De aangifte van [betrokkene 7] namens [G] , d.d. 28 oktober 2016
Ik ben eigenaar van [G] Op 20 juni 2016 werd ik voor het eerst benaderd door [verdachte] , [b-straat] te Amersfoort. Ik ontving een e-mail vanaf adres [e-mailadres] met verzoek om een offerte te maken voor bedrukte paperclips. Dit verzoek is in behandeling genomen en de goederen zijn geleverd op adres [b-straat] te Amersfoort.
Vervolgens ontving ik op diverse dagen meerdere opdrachten om diverse goederen te bedrukken en te leveren op bovenstaand adres. De bedrukte goederen zijn onder andere: rolup banners, kop en schotels, pennen en aanstekers, diverse stickers, tasjes, lanyard, ringbanden, visitekaartjes, offertemappen, sleutelhangers en schrijfblokken.
Het totaalbedrag van deze geleverde goederen bedraagt € 7.846,57.
Mijn zonen [betrokkene 8] en [betrokkene 9] zijn in mijn bedrijf werkzaam en hebben contact met de heer [verdachte] gehad.
De heer [verdachte] heeft hen verteld dat hij een startende ondernemer was. Hij was 30 jaar in loondienst geweest en had nu met een collega een bedrijf gestart. Hij zou een seminar geven, daar had hij promotiemateriaal voor nodig.
Daardoor was er geen argwaan omtrent de bestellingen van de goederen.
Vanaf 8 juli 2016 zijn er diverse facturen verzonden, maar deze zijn tot op heden niet voldaan.
- De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 februari 2017
Ik blijf bij mijn verklaring die ik bij de politie heb afgelegd. De goederen van [betrokkene 7] heb ik besteld en die zijn door hen geleverd, volgens mij aan de [b-straat] .’’