Conclusie
1.Feiten en procesverloop
[A]) te kopen van de huidige eigenaren, de erven [de erven] (hierna: [de erven] ).
[A]van [de erven] heeft gekocht.
[A]van [de erven] heeft gekocht. Tegen dit vonnis is door [de erven] hoger beroep ingesteld.
[B]. Hij woont ook in het pand waar het hotel-restaurant deel van uitmaakt.
[A]heeft. In een tussenvonnis van 6 juli 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, in conventie geoordeeld dat het oudste recht op levering aan de man toebehoort. In het eindvonnis van 23 augustus 2017 heeft de rechtbank echter vervolgens geoordeeld dat hij dat recht niet meer heeft, omdat hij tegenover de vrouw afstand heeft gedaan van zijn uit het genoemde artikel voortvloeiende aanspraken. Dat oordeel is gebaseerd op afspraken die partijen op of omstreeks 4 januari 2014 op initiatief van hun zoon [de zoon] (hierna: de zoon) zouden hebben gemaakt, en waarop de vrouw in reconventie een beroep had gedaan (hierna: de overeenkomst). De man is vervolgens veroordeeld om alle door hem op
[A]gelegde beslagen op te heffen en
[A]te ontruimen, voorafgaand aan de levering ervan door de huidige eigenaren aan de vrouw. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Inmiddels heeft de man de door hem op
[A]gelegde beslagen opgeheven. Hij heeft het pand echter nog niet ontruimd. Tegen de vonnissen van 6 juli 2016 en 23 augustus 2017 heeft de man hoger beroep ingesteld. [3]
[A]door [de erven] aan haar leidt of zou kunnen leiden, zulks op straffe van verbeurte van een direct opeisbare dwangsom voor elke dag dat zij met het vorenstaande in gebreke blijft, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
2.Het belang van de man bij zijn cassatieberoep; ontvankelijkheid
de geldigheidvan de overeenkomst van 4 januari 2014 ter discussie gesteld. Indien het cassatieberoep in de hoofdzaak mocht slagen - over de kans van slagen laat ik mij niet uit - dan zou in een eventuele verwijzingsprocedure eventueel nog kunnen worden geoordeeld dat op de afspraken in de overeenkomst van 4 januari 2014 geen beroep kan worden gedaan. Dit zou dan met zich mee kunnen brengen dat de man het oudste recht op levering heeft behouden.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Ritzen/Hoekstra) heeft Uw Raad als volgt overwogen met betrekking tot de maatstaf die in een executiegeschil moet worden gehanteerd:
Newbay/Staat). Daarin werd aan de orde gesteld de vraag of in een incident de vraag aan de orde kan worden gesteld of de door de vorige rechter aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad verbonden voorwaarde van zekerheidstelling geheel of ten dele gehandhaafd moet blijven. Uw Raad overwoog als volgt (onderstreping mijnerzijds, A-G):
2.14. Ik kom tot de slotsom dat bij de in verband met de misbruikvraag noodzakelijke afweging niet in de eerste plaats, het vonnis zelf maar de executie daarvan centraal zal moeten staan. De executie moet, wil men van misbruik van bevoegdheid kunnen spreken, de geëxecuteerde onevenredig zwaar treffen in zijn belangen (Vgl. de noodtoestand in HR 22 april 1983, NJ 1984, 145.). Het moet, anders gezegd, onaanvaardbaar zijn dat het vonnis, gelet op de gevolgen van de executie voor de geëxecuteerde, ten uitvoer wordt gelegd. In het kader van een executiegeschil met betrekking tot een onherroepelijk vonnis als waarvan in dit geding sprake is zou dus de discussie over de inhoud van het vonnis en de wijze waarop het tot stand is gekomen zoveel mogelijk moeten worden uitgesloten. Een uitzondering zou wellicht kunnen worden aanvaard in gevallen waarin een vonnis ten uitvoer gelegd wordt dat klaarblijkelijk als gevolg van een bedrieglijk toedoen van de executant onjuist is. Het resultaat van een aan de executant toerekenbaar evident oneerlijk proces behoort eigenlijk niet afgedwongen te kunnen worden. De schadevergoedingsactie als alternatief is denkbaar maar als die mogelijk is, waarom dan niet de schade voorkomen door de executie te verbieden? In zo'n geval zou men dan van misbruik van executiebevoegdheid kunnen spreken.
onevenredig zwaartreffen in zijn belangen. In andere woorden: die belangen dienen echt sprekend te zijn. Ik lees de passage “dat zal het geval kunnen zijn indien (…)” in het arrest Ritzen/Hoekstra in navolging van Van Mierlo en Strikwerda zo dat misbruik van bevoegdheid ook kan worden aangenomen
buitende daar door Uw Raad genoemde voorbeelden. Daarvan zou derhalve ook sprake kunnen zijn indien geen sprake is van een misslag.
tevenshad moeten beoordelen of de man tegenover de belangen van de vrouw onevenredig wordt benadeeld als de uitkomst van het hoger beroep niet wordt afgewacht [30] , maar reeds (onmiddellijk) tot tenuitvoerlegging wordt overgegaan, althans miskent dat het had moeten afwegen of het belang van degene die de veroordeling verkreeg (de vrouw) zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde (de man) bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Het onderdeel verwijst in dat verband naar de toetsing “zoals Uw Raad voorschrijft voor een toetsing ex art. 351 Rv Pro”.
alleengrond bestaat voor schorsing van de executie op de voet van art. 438 Rv Pro vanwege misbruik van bevoegdheid, indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, dan wel als door feiten die na het vonnis zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde ontstaat, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. Het onderdeel klaagt dat het hof in dat geval uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het miskent dat niet uitsluitend in die twee gevallen misbruik van bevoegdheid aanwezig kan zijn, maar bijvoorbeeld ook wanneer de veroordeelde in verhouding tot de belangen van degene die de veroordeling verkreeg bij tenuitvoerlegging onevenredig zou worden benadeeld als het hoger beroep niet wordt afgewacht, althans als het belang van de veroordeelde bij behoud van de
status quozwaarder weegt.
onderdeel 1ddat het hof ten onrechte voorbijgaat aan de volgende essentiële stellingen van de man, althans in het licht van die stellingen en de stellingen van de vrouw onvoldoende uiteenzet waarom zich in dit geval geen misbruik van bevoegdheid voordoet:
[A]; hij heeft niets anders; [33]
ookkan worden aangenomen buiten de in Ritzen/Hoekstra door Uw Raad genoemde voorbeelden en dat ook in een executie kort geding steeds een afzonderlijke belangenafweging moet worden gemaakt, waarbij een schorsing van de executie van de tenuitvoerlegging evenwel slechts kan worden uitgesproken indien de executie de geëxecuteerde
onevenredig zwaartreft in zijn belangen, met andere woorden als er sprake is van een onbalans. Het hof heeft echter noch in de bestreden overwegingen noch elders in het bestreden arrest enige belangenafweging gemaakt. Indien het hof heeft geoordeeld dat alleen in de twee situaties die Uw Raad in Ritzen/Hoekstra noemt, een belangenafweging moet worden gemaakt, en daarnaast derhalve geen afzonderlijke belangenafweging, dan heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof dit niet heeft miskend, dan is het bestreden arrest onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. De man heeft immers een aantal belangen genoemd - zie hiervóór bij de weergave van onderdeel 1d - die, afgezet tegen de door de vrouw genoemde belangen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien zouden kunnen leiden tot de slotsom dat schorsing van de executie van het vonnis van 23 augustus 2017 gerechtvaardigd is (in ieder geval, uitgaande van de huidige situatie, totdat op het tegen de arresten van 14 augustus 2018 en 11 december 2018 ingestelde cassatieberoep is beslist). Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de meeste onderdelen slagen.
[A], (ii) dat hij met haar ook is overeengekomen dat zij haar recht op levering tegenover de erven [de erven] wel zal kunnen uitoefenen, en (iii) dat hij
[A]voor dat doel diende te verlaten. Het processuele belang van de verklaring, zo overweegt het hof vervolgens, is beperkt tot deze bewijsrechtelijke functie. Het hof overweegt dat het prognoseverbod eraan in de weg staat dat in het onderhavige executiegeding wordt vooruitgelopen op de daaraan te verbinden gevolgen. Het hof concludeert dat de verklaring van de zoon derhalve niet op voorhand dwingt tot een andere beslissing dan de rechtbank in de bodemzaak heeft gegeven en dat het dan ook niet gaat om een nieuw feit in de hiervoor bedoelde zin.