Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor belaging. De Hoge Raad beoordeelt of het bewijs voldoende is om te concluderen dat verdachte zich gedurende de gehele bewezenverklaarde periode schuldig heeft gemaakt aan belaging.
De Hoge Raad stelt vast dat het enkele feit dat verdachte gedurende vier dagen meermalen telefonisch contact heeft gezocht niet voldoende is om te voldoen aan de delictsomschrijving van artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Hierdoor wordt het cassatieberoep verworpen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, maar dat gezien de aard van de opgelegde geheel voorwaardelijke straf en de mate van overschrijding geen rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding verbonden worden.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 18 juni 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof-arrest wordt bekrachtigd.