Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft geschat zonder toepassing te geven aan het bepaalde in art. 6 van Pro de Richtlijn 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, althans dat het hof ten onrechte geen prejudiciële vraag over de inhoud en reikwijdte van de desbetreffende bepaling heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.