Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 9 februari 2018, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. De betrokkene voerde aan dat de wettelijke regeling inzake de ontneming in strijd zou zijn met het vermoeden van onschuld zoals neergelegd in artikel 6 van Pro Richtlijn (EU) 2016/343.
De Hoge Raad heeft het middel van cassatie beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Daarbij is overwogen dat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep is gevolgd.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand en wordt de vordering tot ontneming bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering blijft in stand.