Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor diefstal met behulp van valse sleutels. In cassatie werd onder meer een bewijsklacht ingediend over de betrokkenheid van de zwijgende procesopstelling van de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht geen cassatiegrond opleverde en dat geen nadere motivering nodig was.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met drie maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op twee maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de straf gematigd vanwege de termijnoverschrijding, zonder dat de inhoudelijke veroordeling werd aangetast.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.