ECLI:NL:PHR:2019:548
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ongegrondverklaring klaagschrift tegen douanebeslag personenauto
In deze zaak werd op grond van artikel 1:37 Algemene Pro Douanewet beslag gelegd op een personenauto die kennelijk was ingericht om goederen aan ambtelijk toezicht te onttrekken. De klaagster diende een klaagschrift in tot opheffing van het beslag en teruggave van de auto. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond en wees ook het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming af, omdat niet aannemelijk was dat de auto daadwerkelijk eigendom was van klaagster.
De klaagster stelde in cassatie twee middelen aan: het eerste betrof de afwijzing van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming, het tweede het verzuim van de rechtbank om de inspecteur van de Douane in de raadkamerprocedure te horen. De Advocaat-Generaal (AG) stelde dat het verzuim een wezenlijke grondslag van de procedure raakt en normaal tot nietigheid leidt, maar dat dit in casu niet tot cassatie hoeft te leiden omdat de inspecteur tijdens de eerste raadkamerzitting wel was opgeroepen en geen behoefte had te reageren, en de belangen van de Douane niet zijn geschaad.
De Hoge Raad volgt deze redenering en oordeelt dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat klaagster niet als eigenaar van de auto kan worden aangemerkt en dat zij niet onevenredig in haar vermogen wordt getroffen door het vervallen van de auto aan de Staat. De rechtbank hoefde in dit kader niet de waarde van de auto of de draagkracht van klaagster te betrekken.
De Hoge Raad bevestigt dat de bijzondere raadkamerprocedure op grond van de Algemene Douanewet bijzondere eisen stelt, waaronder het horen van de inspecteur, maar dat het verzuim in dit geval niet leidt tot vernietiging van de beschikking. Het cassatieberoep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift tegen het douanebeslag wordt ongegrond verklaard.