Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Wettelijk kader
3.De bestreden beschikking
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Beoordeling van het tweede middel
6.Slotsom
16 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Middelburg inzake het beslag op haar binnenvaartschip, dat in het kader van een strafzaak was gelegd wegens verdenking van medeplegen invoer van cocaïne. Hoewel het gerechtshof klaagster vrijsprak en teruggave van het schip gelastte, legde de Douane later opnieuw beslag op het schip op grond van de Algemene Douanewet (Adw).
De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond en wees het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming af. De rechtbank oordeelde dat het schip een vervoermiddel was dat kennelijk was ingericht om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken, vanwege een constructie (duikluik) die daadwerkelijk was gebruikt om cocaïne ongezien in de voorpiek te brengen. De rechtbank vond dat klaagster rekening had moeten houden met het risico van inbeslagneming.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip vervoermiddel dat kennelijk is ingericht om goederen aan toezicht te onttrekken niet beperkt is tot vervoermiddelen met verborgen ruimtes, en dat het oordeel van de rechtbank begrijpelijk was. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom klaagster niet onevenredig werd getroffen door het vervallen van het schip aan de staat, mede gelet op haar vrijspraak en de draagkracht zoals bedoeld in artikel 24 Sr Pro.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor herbeoordeling van het verzoek om geldelijke tegemoetkoming op basis van een betere motivering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van het verzoek om geldelijke tegemoetkoming.