Conclusie
middelkomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van strafvorderlijk beslag.
Feiten
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een klager die beklag deed over het niet-teruggeven van een mobiele telefoon en contant geld, welke in beslag waren genomen tijdens een staandehouding op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat de goederen niet in het kader van een strafrechtelijke procedure waren in beslag genomen, maar tijdens een insluitingsfouillering bij overbrenging naar het politiebureau. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de beklagprocedure ex art. 552a Sv alleen openstaat bij strafvorderlijk beslag.
De Hoge Raad overweegt dat de Vreemdelingenwet 2000 geen bevoegdheid tot strafvorderlijke inbeslagneming geeft en dat het afnemen van goederen bij insluiting niet gelijkstaat aan strafvorderlijk beslag. Het ontbreken van een kennisgeving van inbeslagname en het feit dat de goederen niet zijn teruggegeven, rechtvaardigen geen andere conclusie. De klager wordt verwezen naar civiele weg of de Nationale ombudsman voor terugvordering.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van strafvorderlijk beslag en de klager niet ontvankelijk is in zijn beklag, ongewijzigd blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat geen sprake is van strafvorderlijk beslag en de klager niet ontvankelijk is in zijn beklag.