Conclusie
eerste middelklaagt dat deze bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, berust op tegenstrijdige en/of onbegrijpelijke gronden, waardoor de bewezenverklaring niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd.
Voorbedachten rade
NJ2016/462, waarin de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigde omdat het hof niets had vastgesteld over het moment waarop de verdachte zijn besluit had genomen of over het tijdsverloop dat met die besluitvorming gemoeid was geweest. De door de Hoge Raad gekozen bewoordingen duiden erop dat gelegenheid tot beraad niet steeds pas ontstaat nadat het besluit tot het begaan van het misdrijf daadwerkelijk is genomen, maar dat die gelegenheid ook reeds kan bestaan gedurende het besluitvormingsproces. Dat verklaart tevens waarom de Hoge Raad in zijn inmiddels vaste vooropstelling tot tweemaal toe de woorden “het te nemen of het genomen besluit” bezigt. Ook het arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1233 duidt er mijns inziens op dat voorbedachte raad zich reeds kan manifesteren in het tijdsbestek waarin het begaan van het misdrijf zich als een – min of meer reële – optie aan de verdachte heeft voorgedaan. In die zaak had het hof omtrent de voorbedachte raad van de verdachte onder meer overwogen dat sprake was van de uitvoering van een scenario dat de verdachte eerder die middag had bedacht, maar ook dat bij de verdachte gedurende de dag sprake was van een groeiende boosheid. Als ik het goed zie, liet het hof daarbij in het midden wanneer precies de verdachte daadwerkelijk had besloten uitvoering te geven aan het scenario waarin hij het slachtoffer om het leven zou brengen. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de verdachte met voorbedachte raad had gehandeld niettemin toereikend gemotiveerd. Verstrijkt voldoende tijd tussen het moment waarop men het begaan van een misdrijf in overweging neemt aan de ene kant en de uitvoering daarvan aan de andere kant, dan kan dit naar ik aanneem de door de Hoge Raad bedoelde “belangrijke objectieve aanwijzing” voor voorbedachte raad opleveren.
wasvan een geveinsd voornemen, berust deze klacht mijns inziens op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet óf de verdachte uiteindelijk werkelijk heeft gepoogd het slachtoffer op 18 juni 2014 om het leven te brengen. Of de verdachte dit die avond daadwerkelijk heeft geprobeerd of dat hij de anderen iets heeft willen wijsmaken, heeft het hof in het midden gelaten. Kennelijk om die reden heeft het hof in zijn nadere overweging het woord “(geveinsde)” tussen ronde haakjes geplaatst. Daarmee heeft het hof kennelijk beoogd tot uitdrukking te brengen dat sprake was van een al dan niet geveinsd voornemen, oftewel een voornemen waarvan het hof de ‘oprechtheid’ in het midden heeft gelaten.
eigenhandiguitvoeren van de moord en zich niet uitstrekte tot het besluit zelf om [slachtoffer] om het leven te brengen. Dat de verdachte met betrekking tot de moord bij de voorbereidende plannen, het besluit en de uiteindelijke uitvoering betrokken is geweest en gebleven (zich daarvan niet op enig moment heeft gedistantieerd), komt uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren, in welk verband ik de verklaringen van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en de getuige [getuige 1] [10] noem, een tapverslag en de verkeers- en locatiegegevens van de telefoon van onder meer de verdachte. [11]
nadatzijn aan de uitvoering van de moord voorafgaande deelnemingsgedragingen aan het delict reeds waren voltooid, blijkt niet uit de bewijsvoering. Ook in zoverre faalt het middel derhalve.
tweede middelkeert zich met twee klachten tegen het oordeel van het hof dat bij feit 1 sprake is van medeplegen.
“Medeplegen feiten 1 en 2
NJ2015/390, m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718,
NJ2015/395, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
NJ2016/411, m.nt. Rozemond. Aan deze arresten ontleen ik het volgende. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht – de Hoge Raad noemt: het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht –, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zijn bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Evenmin is uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd of – zelfs – hoofdzakelijk na het strafbare feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. Zeker in zulke situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.
planen dat de weergegeven overwegingen van het hof niet zijn bedoeld om de bijdrage van de verdachte aan te duiden als een geval van gezamenlijke uitvoering in de door de Hoge Raad in diens jurisprudentie over medeplegen bedoelde zin. In mijn bespreking van het derde middel ga ik hierop nader in.
derde middelklaagt dat ’s hofs strafoplegging onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat in de strafmotivering in strafverzwarende zin het verwijt ligt besloten dat de verdachte bij de moord ook zelf uitvoeringshandelingen heeft verricht, zulks terwijl dit niet bewezen is geacht.