Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, kort gezegd: rijden met een ongeldig (verklaard) rijbewijs, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
Intellectual Disability. Dit gegeven kan relevant zijn voor de appreciatie van zijn procesopstelling op diverse momenten in verscheidene procedures.
overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994" (rijden onder invloed) gepleegd op 10 december 2006 in de gemeente Heerhugowaard, veroordeeld tot een geldboete van € 390,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. [1]
met 100 procent zekerheid” niet de persoon was die zij op 10 december 2006 had aangehouden. [2]
dranktest” heeft moeten ondergaan, en met onder meer de vraag (in mijn woorden) kenbaar te maken op welke wijze de betrokkene zich op 10 december 2006 heeft moeten legitimeren en wat het kentekennummer van de auto was. [8]
gezuiverd”. [16]
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, kort gezegd: rijden met een ongeldig (verklaard) rijbewijs, gepleegd op 25 februari 2017, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. [17]
daarmee bezig” was. In deze procedure in herziening wordt overigens
nietde stelling betrokken dat een ander dan de aanvrager op 25 februari 2017 is staande gehouden.
NJ1995/407 oordeelde de Hoge Raad in relatie tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs:
Aangezien geen wetsbepaling, voor het geval na zodanige ongeldigverklaring enig administratief bezwaar of beroep wordt ingesteld, daaraan schorsende werking verleent, is gedurende de behandeling van het bezwaar of beroep de ongeldigverklaring onverminderd van kracht en doet het aanhangig zijn van zodanige procedure niet af aan het in art. 32, tweede lid, WVW vervatte verbod.” [22]
Indien echter een ongeldigverklaring als bedoeld in art. 18b, vijfde lid, WVW naar aanleiding van een administratiefrechtelijke procedure alsnog is ingetrokken of herzien (…) brengt zulks in beginsel mee dat achteraf moet worden geoordeeld dat die ongeldigverklaring nimmer heeft gegolden, zodat op gedragingen begaan gedurende de hiervoren onder 5.3.1 bedoelde periode het in art. 32, tweede lid, WVW vervatte verbod toepassing mist.”
wist of redelijkerwijs moest weten” dat het rijbewijs ongeldig was verklaard. De lat voor het bewijs daarvan ligt, zoals blijkt uit de uitgebreide conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld onder HR 13 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146, betrekkelijk hoog. [29] De aanvankelijke wetenschap omtrent de ongeldigheid van het rijbewijs is in de onderhavige zaak geen onderwerp van discussie. Van belang is wel de vraag of aan deze recente rechtspraak gezichtspunten kunnen worden ontleend die ook op de hier besproken kwestie van toepassing zijn, nu het in zekere zin spiegelbeeldig kan worden opgevat: kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit de aanvrager heeft kunnen afleiden dat de ongeldigheid van het rijbewijs was komen te vervallen? Met andere woorden, kan een vrijspraak van de strafrechter met betrekking tot het rijden onder invloed bij de aanvrager de gerechtvaardigde indruk hebben gewekt dat het rijbewijs weer geldig zou zijn, nu het rijden onder invloed het fundament is geweest voor de EMA, die op zijn beurt weer de grondslag vormt voor het ongeldig verklaren van het rijbewijs?