ECLI:NL:HR:2018:2347

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
18 december 2018
Zaaknummer
18/02165
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 4 WAMArt. 457 lid 1 sub c SvArt. 470 SvArt. 34 WAM
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek onverzekerd rijden bedrijfsauto op grond van art. 30 lid 4 WAM

De aanvrager verzocht herziening van een verstekvonnis van de kantonrechter wegens onverzekerd rijden met een bedrijfsauto op 20 april 2017. De kantonrechter had de aanvrager veroordeeld tot een geldboete, subsidiair hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid.

De herzieningsaanvraag berustte op een verklaring van de verzekeraar FBTO, waaruit bleek dat het voertuig op de pleegdatum verzekerd was. De Advocaat-Generaal concludeerde dat dit gegeven niet als een nieuw gegeven in de zin van art. 457 lid 1 sub c Sv Pro kon worden aangemerkt omdat dezelfde verklaring al vóór het vonnis aan de kantonrechter bekend was.

De Hoge Raad bevestigde deze conclusie en oordeelde dat het gegeven niet het ernstige vermoeden wekt dat bij bekendheid de aanvrager vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging zou zijn. De aanvraag werd daarom afgewezen. De Hoge Raad wees tevens op de mogelijkheid van een gratieverzoek.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het herzieningsverzoek af omdat het aangevoerde gegeven niet als nieuw en onbekend voor de kantonrechter kan worden beschouwd.

Uitspraak

18 december 2018
Strafkamer
nr. S 18/02165 H
EC/CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 13 november 2017, nummer 96/090582-17, ingediend door H.A. Jonker-van Dijk, advocaat te Beilen, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet Pro aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen" (hierna: WAM), begaan op 20 april 2017, met het motorrijtuig met het [kenteken], bij verstek veroordeeld tot een geldboete van € 650,-, subsidiair 13 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder c, Sv aangezien uit de bij de aanvraag gevoegde verklaring van FBTO van 9 oktober 2017 blijkt tot op 20 april 2017 voor voormeld motorrijtuig wel een verzekering overeenkomstig de WAM van kracht was.

3.De conclusie van de Advocaat-Generaal

3.1.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag zal afwijzen.
3.2.
De raadsvrouwe van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.
Op de door de Advocaat-Generaal in haar conclusie onder 2.4 en 2.5 vermelde gronden kan het in de aanvraag aangevoerde niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv Pro worden afgewezen.
4.3.
Hieruit volgt dat het in de aanvraag aangevoerde niet kan worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv Pro worden afgewezen.

5.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 december 2018.