Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iis gericht tegen het oordeel dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer (rov. 5.3).
Onderdeel IIbevat een voortbouwende klacht (gericht tegen rov. 5.4 en de beslissing van het hof) die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
personeelvan beveiligingsorganisaties. [10] Art. 7 Wet Pro pbr bepaalt, voor zover hier van belang, dat beveiligingsorganisaties geen personen te werk stellen dan nadat voor deze personen toestemming is verkregen van de minister van Justitie en Veiligheid (voor zover het leidinggevend personeel betreft; zie lid 1), respectievelijk van de plaatselijke korpschef (voor zover het ander personeel betreft; zie lid 2). De toestemming wordt onthouden indien de betrokkene niet beschikt over de bekwaamheid en de betrouwbaarheid die nodig zijn voor het door hem te verrichten werk (lid 4). De toestemming kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend (lid 5).
beoordelingsruimtetoe. De invulling die in de zo-even geciteerde beleidsregels is gegeven aan het betrouwbaarheidscriterium van art. 7 lid 4 Wet Pro pbr, acht de Afdeling niet onredelijk of onjuist. Volgens de Afdeling mogen aan beveiligingspersoneel hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. De korpschef mag als maatstaf hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers “boven iedere twijfel verheven” dienen te zijn. [18]
strafbaar feitheeft begaan. [34] De grond voor ontzegging van de transitievergoeding is gelegen in het verlies van de ingevolge art. 7 Wet Pro pbr vereiste
toestemming. Het hof stelt dienaangaande, onder verwijzing naar de in rov. 3.5 geciteerde brief van de korpschef van 19 september 2017, [35] het volgende vast: