Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
[verzoeker]respectievelijk
ABE.
1.Inleiding en samenvatting
DNB) bij ABE uitgevoerd integriteitsonderzoek is besloten over te gaan tot een analyse van dossiers van zogeheten hoog-risico-cliënten. Deze cliënten moesten opnieuw worden geïdentificeerd door middel van een door hen te ondertekenen
Client Acceptation Form(
CAF-formulier). Naar in deze procedure is komen vast te staan, heeft [verzoeker] aan medewerkers van ABE opdracht gegeven tot, althans hen uitleg gegeven over, het kopiëren van handtekeningen van cliënten op oude documenten naar (nieuwe) CAF-formulieren.
2.Feiten
Wwft).
Improvement Plan of Actionopgesteld, waarvan onderdeel was een analyse achteraf van dossiers van hoog-risico-cliënten. Deze analyse bestond uit het opnieuw identificeren van de hoog-risico-cliënten door middel van het invullen van een CAF-formulier dat door de desbetreffende cliënt diende te worden ondertekend. Het invullen van de CAF-formulieren werd gedaan door baliemedewerkers werkzaam in de (toenmalige) vestigingen Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. Ter uitvoering van de analyse is begin 2019 een taskforce ingesteld onder de naam ‘
Cellule de review’ waar [verzoeker] deel van uitmaakte.
DPA), de door ABE uitgevoerde klantonderzoeken gecontroleerd. Bij e-mail van 30 oktober 2019 heeft DPA aan ABE meegedeeld dat op 29 oktober 2019 was ontdekt dat in een dossier op een CAF-formulier de handtekening van de cliënt was gekopieerd uit een ander document en dat vervolgens in acht van dertien willekeurig uitgekozen dossiers – die al waren beoordeeld door de Cellule – hetzelfde is geconstateerd.
3.Procesverloop
de kantonrechter), voor zover thans van belang, de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd en voorts, in het ontbindingsverzoek van ABE, ABE toegelaten te bewijzen dat [verzoeker] aan [baliemedewerker 1] , [baliemedewerker 2] en [baliemedewerker 3] opdracht heeft gegeven tot, althans uitleg heeft gegeven over, het kopiëren van handtekeningen van cliënten op oude documenten in/naar CAF-formulieren.
het hof). [verzoeker] heeft het hof verzocht de beschikkingen gedeeltelijk te vernietigen en voorts verzocht:
primairde arbeidsovereenkomst te herstellen;
subsidiair, voor het geval dat wordt geoordeeld dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst op zijn plaats is, voor recht te verklaren dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van ABE, dat de wettelijke opzegtermijn van vier maanden in acht dient te worden genomen en dat aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 49.163,64 bruto en een billijke vergoeding van € 505.000,- bruto toekomt;
meer subsidiair, voor het geval dat wordt geoordeeld dat sprake is van een aan [verzoeker] verwijtbare reden voor ontbinding, voor recht te verklaren dat de opzegtermijn in acht dient te worden genomen en ABE aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 49.163,64 bruto dient te betalen;
uiterst subsidiair, indien sprake is van een aan [verzoeker] verwijtbare reden voor beëindiging ex art. 7:671b lid 9, aanhef en onder a, BW, [8] de proceduretijd in mindering te brengen op de geldende opzegtermijn waarbij minimaal één maand resteert, onder toekenning van een transitievergoeding van € 49.163,64 bruto.
ernstig verwijtbaarhandelen aangezien met het knippen en plakken van handtekeningen de identiteit van de cliënten niet opnieuw werd geverifieerd, hoewel het de bedoeling was van de ter zake geldende regelgeving is dat dit wél gebeurt. [11] Hieruit volgt, aldus het hof, dat de kantonrechter op grond van art. 7:671b lid 9, aanhef en onder b, BW het einde van de arbeidsovereenkomst heeft kunnen bepalen op een eerder tijdstip. Bovendien is ABE krachtens het bepaalde in art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW
geen transitievergoedingaan [verzoeker] verschuldigd. Het hof ziet niet in waarom het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 7:673 lid 8 BW Pro), zoals door [verzoeker] gesteld. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst is naar het oordeel van het hof tot slot niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van ABE als bedoeld in art. 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW, zodat [verzoeker] ook geen recht heeft op een billijke vergoeding (rov. 2.14).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Woondroomzorg [12] te summier. De eindbeschikking noch de tussenbeschikking bevat een beoordeling van de door [verzoeker] gestelde feiten en omstandigheden. De persoonlijke omstandigheden die [verzoeker] heeft aangevoerd zijn (i) diens leeftijd op moment van ontslag (55 jaar), (ii) de duur van het dienstverband (25 jaar), (iii) dat hij geen werkloosheidsuitkering zal krijgen en (iv) dat het voor hem lastig zal zijn een nieuwe baan te vinden. Daarnaast heeft [verzoeker] gewezen op zijn zwakke inkomenspositie gelet op (v-1) zijn hypotheekverplichtingen, (v-2) het feit dat hij twee thuiswonende, studerende kinderen heeft en (v-3) het feit dat zijn echtgenote een laag inkomen heeft dat wel hoger ligt dan de bijstandsnorm, zodat (vi) [verzoeker] ook voor bijstand niet in aanmerking komt en het gezin daarmee terugvalt op het inkomen van de echtgenote. Deze omstandigheden heeft [verzoeker] in eerste instantie aangevoerd in het kader van zijn verweer tegen het hem gegeven ontslag op staande voet. [13]
lid 1, aanhef en onder a.2, BW. De transitievergoeding is enerzijds bedoeld als compensatie voor het ontslag en anderzijds om de werknemer met behulp van de hiermee gemoeide financiële middelen in staat te stellen de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken. [14]
lid 7BW bevat uitzonderingen op dit uitgangspunt. Ingevolge art. 7:673 lid Pro 7, aanhef en onder c, BW is de transitievergoeding niet verschuldigd “
indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer”.
lid 8BW bevat een uitzondering op die uitzondering. De kantonrechter kan “
in afwijking van lid 7, onderdeel c, de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk aan de werknemer toekennen indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.” Deze billijkheidscorrectie wordt in de literatuur ook wel het ‘luizengaatje’ genoemd. [15] Omdat lid 8 een afwijking vormt van lid 7, onderdeel c, is uitgangspunt voor de toepassing van lid 8 dat de situatie van een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer zich voordoet.
ambtshalvete onderzoeken of persoonlijke omstandigheden met betrekking tot de (ontslagen) werknemer bestaan [24] die moeten meebrengen dat een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan worden gehonoreerd. De gedingstukken moeten een voldoende feitelijke grondslag bevatten voor het beoogde rechtsgevolg. [25] Hierna onderzoek ik of dat hier het geval is.
Indien UEA zou oordelen dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en of nagelaten dan beroept hij zich op 7:673 lid 8. Gezien zijn lange dienstverband en zijn onbesproken gedrag en de reeds ingetreden reputatieschade is het niet meer dan redelijk dat aan [verzoeker] op grond van dat wetsartikel een transitievergoeding wordt toegekend.”
[verzoeker] is geboren (…) [in] 1965 en [is] dus 55 jaar oud. Hij is sinds september 1994 25 jaar in dienst bij ABE.ABE is een in Europa gespecialiseerde bank voor met name Marokkaanse klanten. De bank houdt zich voornamelijk bezig met 'money-transfers’.
Dat de bankenwereld sowieso al een kleine wereld is, is algemeen bekend. In het specifieke geval van ABE klemt dat des te meer nu zij zich ook nog eens richten op een kleine markt. [verzoeker] heeft momenteel geen zicht op een vergelijkbare baan(…).
[verzoeker] heeft als verweer tegen het ontslag op staande voet – dat de kantonrechter begrijpt als mede gericht tegen het door ABE Bank gedane beroep op ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoeker] – onder meer gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden, te weten zijn leeftijd, de lange duur van zijn dienstverband en zijn positie op de arbeidsmarkt. In dit verband wordt gewezen op de Conclusie van de AG bij voormeld arrest (Woondroomzorg, ECLI:NL:HR:2019:203): uit artikel 7:673 lid 7 sub c volgt Pro dat de transitievergoeding niet is verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst
het gevolg isvan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten in de zin van deze bepaling, wordt dus aangeknoopt bij de redenen voor het ontslag, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer kunnen alleen bij de beoordeling worden betrokken indien en voor zover zij samenhangen met de gedragingen van de werknemer die tot het ontslag hebben geleid. Omstandigheden die daar in beginsel los van staan, zoals de positie van de werknemer op de arbeidsmarkt, vallen daarbuiten. (…). Nu [verzoeker] niet heeft gesteld dat zijn persoonlijke omstandigheden op enige wijze het gedrag dat heeft geleid tot het ontslag hebben beïnvloed, wordt dit verweer gepasseerd.”
Dit betekent dat € 3.553,42 bruto x 10 x 1/3 = € 11.844,73
Vervolgens € 3.553,42 x 16 x ½ = € 28.435,36
Vanaf 50 jaar 5 x ½ x € 3.553,42 = € 8.883,55
Totaal: € 49.163,64 bruto
Subsidiair beroept [verzoeker] zich op art. 7:673 lid 8 BW Pro, en stelt dat, ook indien U.E.A. College tot het oordeel zou komen dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid zijdens werknemer, de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan werknemer kan worden onthouden.
Immers indien zou komen vast te staan dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan het opdracht geven tot vervalsen van handtekeningen, hetgeen hij betwist, dan is dat onderdeel van een cultuur, nu voldoende aannemelijk is gemaakt door [verzoeker] dat (…) deze praktijk bestond en ook na afloop van de Cellule de Review is voortgezet. Dit geldt temeer nu de verantwoordelijke filiaalhouders niet zijn aangepakt.”
Het gaat dan, naast de ernst van voornoemd [handelen] door de werkgever, om de navolgende omstandigheden:
[verzoeker] is ten onrechte van zeer zware feiten beschuldigd.
Zijn aanzien in de bankwereld is daarmee ernstig in diskrediet gebracht.
Zijn aanzien binnen de Marokkaanse gemeenschap is ernstig geschaad.
(…)
Hij heeft een lang dienstverband, maar daarmee ook eenzijdige ervaring. Dit betekent dat hij, zeker in deze economisch onzekere tijden, moeilijk aan het werk zal kunnen komen.Hij is 55 jaar oud. Gezien zijn leeftijd wordt het moeilijk voor hem elders aan het werk te komen.Zijn [financiële] situatie wordt zeer veel slechter als hij van een W.W.-uitkering rond moet komen, ook gezien zijn vaste lasten (wellicht huis verkopen).Een W.W.-uitkering zal niet meer dan 24 maanden duren. Gedurende die periode ontvangt hij 70% van zijn laatstverdiende salaris (…) Daarna ontvangt hij niets meer, omdat zij[n] echtgenote inkomen heeft.(…).”
Woondroomzorg).
niet implicietbetrokken bij zijn oordeel met betrekking tot het beroep van [verzoeker] op art. 7:673 lid 8 BW Pro.