Uitspraak
gevestigd te [plaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
4 mei 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoekster verworpen tegen de eerdere beschikkingen van het gerechtshof 's-Hertogenbosch en de kantonrechter te Roermond. Het geschil betreft de ontbinding van een arbeidsovereenkomst en de toekenning van een transitievergoeding, waarbij de vraag speelde of er sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer in de zin van artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beslissingen van de lagere instanties en concludeert dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie, mede omdat deze niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaken. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep wordt gevolgd.
De Hoge Raad veroordeelt verzoekster in de kosten van het cassatiegeding en bevestigt daarmee het oordeel van het hof. De beschikking is gegeven door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eerdere beslissing over ontbinding en transitievergoeding blijft in stand.