Conclusie
eerste middelklaagt over de begrijpelijkheid van het (impliciete) oordeel van het hof dat het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang om het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het verzuim van het openbaar ministerie een appelschriftuur in te dienen.
In deze zaak is hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie. Het hof beschikt wel over een grievenformulier, maar niet over een appelschriftuur. Het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 primair en het onder 2 primair/subsidiair ten laste gelegde.
[...]
De advocaat-generaal deelt mede:
Ik ben evenmin in het bezit van een appelschriftuur. Ik heb hierover geen contact gehad met de officier van justitie.
[…]
De raadsman verklaart:
De verdediging heeft geen hoger beroep ingesteld en heeft ook geen onderzoekswensen.”
tweede middelbevat de klacht dat art. 422, tweede lid, Sv is geschonden doordat het hof slechts heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
NJ2018/370 heeft getypeerd als “een reeks van cassatieschrifturen die door de steller van het middel in diverse zaken zijn ingediend over schending van art. 422 Sv Pro door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.” [2] In deze reeks van zaken maakt dit gerechtshof gebruik van dezelfde, hiervoor onder 11. aangehaalde overweging. In de genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens en in de conclusie van A-G Keulen vóór HR 9 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1887 [3] is – naar aanleiding van klachten van de opsteller van de cassatieschriftuur in ook de onderhavige zaak – uitvoerig stilgestaan bij de achtergrond en strekking van het voorschrift van art. 422, tweede lid, Sv, alsmede bij de rechtspraak van de Hoge Raad over die bepaling. De Hoge Raad overwoog vervolgens in beide zaken als volgt:
derde middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt eensdeels dat het hof ten aanzien van ‘feit 2 meer subsidiair’ de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, omdat de door het hof bij zijn vaststelling van de tenlastelegging aangebrachte verbeteringen feitelijk een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv Pro opleveren, en anderdeels dat het oordeel dat de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad onbegrijpelijk zou zijn, mede in aanmerking genomen dat het hof de wijzigingen na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, tijdens de beraadslaging, heeft aangebracht.
(bijlage 1)en vordert dat die wijziging zal worden toegelaten.
Tenlastelegging
medeplichtigheidaan het (mede)plegen van opzettelijke brandstichting.
(i) “hij” is vervangen door “(een) ander(en) dan hij, verdachte”;
vierde middelklaagt, in samenhang met de toelichting gelezen, dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte aan de onder feit 1 bewezenverklaarde moord als medepleger heeft deelgenomen.
Medeplegen van feit 1
NJ2015/390, m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718,
NJ2015/395, m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
NJ2016/411, m.nt. Rozemond. Aan deze arresten ontleen ik het volgende. Voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Deze kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bestaat het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht – de Hoge Raad noemt: het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan en helpen bij de vlucht –, dan rust op de rechter die desondanks oordeelt dat sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken, de taak in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. In zijn oordeelsvorming kan de rechter onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit, maar noodzakelijk is dat niet. Zijn bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Evenmin is uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd of – zelfs – hoofdzakelijk na het strafbare feit. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. Zeker in zulke situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest.