Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairdat de verplichting van de man om de vrouw partneralimentatie te betalen op grond van art. 1:160 BW Pro is geëindigd per de datum waarop zij is gaan samenwonen met [betrokkene 1].
Subsidiairheeft de man de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat de vrouw jegens de man vanwege de verbroken lotsverbondenheid geen recht meer heeft op enige partneralimentatie per de datum waarop zij feitelijk met [betrokkene 1] is gaan samenwonen, althans per de datum waarop [betrokkene 1] is overleden, althans per een datum die de rechtbank juist acht.
Meer subsidiairheeft de man verzocht voor recht te verklaren dat de partneralimentatie vanwege het ontbreken van behoefte en behoeftigheid aan de zijde van de vrouw per datum van overlijden van [betrokkene 1], althans per een datum als de rechtbank juist acht, op nihil te stellen, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
Uiterst subsidiairis verzocht de partneralimentatie met ingang van 31 augustus 2014 op nihil te stellen, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Voor alle gevallen is verzocht de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij teveel aan alimentatie heeft ontvangen, alles uitvoerbaar bij voorraad.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.1worden twee klachten geformuleerd die later in het verzoekschrift terugkomen en daar worden uitgewerkt.
onderdeel 3staat de eerste klacht. Die is gericht tegen de rov. 20 t/m 25 (en het dictum in rov. 29), waarin het hof als volgt overweegt:
Is de lotsverbondenheid verbroken?
onderdelen 3.1-3.9bevatten geen klacht maar een weergave van het juridisch kader tegen de achtergrond waarvan de klacht en de hierna weer te geven subklachten moeten worden gezien (onderdelen 3.1-3.8) en enkele inleidende opmerkingen over het bestreden oordeel (onderdeel 3.9). In
onderdeel 3.10worden enkele algemene opmerkingen gemaakt over het oordeel van het hof dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen per 19 januari 2012. In
onderdeel 3.10.1wordt – met juistheid – opgemerkt dat het hof aan dit oordeel de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd:
- i) de vrouw heeft de man niet actief geïnformeerd over de nalatenschap die zij van [betrokkene 1] heeft verkregen;
- ii) de vrouw heeft de man niet actief geïnformeerd over haar financiële positie;
- iii) de vrouw heeft een niet actieve houding gehad om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien.
cumulatiefaan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd en dat derhalve reeds vernietiging van de bestreden beschikking moet volgen indien één van de omstandigheden met succes in cassatie wordt bestreden. Naar mijn mening gaat dit betoog niet op. Uit de bestreden beschikking volgt dat het hof van oordeel is dat de feiten en omstandigheden die het noemt in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Indien één daarvan in cassatie met succes wordt bestreden, dan zouden de andere twee feiten en omstandigheden het oordeel van het hof toch nog kunnen dragen. Uit het feit dat het hof heeft geoordeeld dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken per 19 januari 2012, dat is de dag dat [betrokkene 1] is overleden, zou wel kunnen worden afgeleid dat het hof aan de onder (i) genoemde omstandigheid meer waarde heeft gehecht dan aan de andere twee omstandigheden. De omstandigheden (ii) en (iii) hebben immers op zich geen verband met de datum van 19 januari 2012.
onderdeel 3.11.3dat van belang is (i) dat de man conform het uitgangspunt van art. 1:157 lid 4 BW Pro gedurende twaalf jaar na de vaststelling ervan partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen, (ii) dat de wettelijke onderhoudsplicht van de man voortduurt tot 15 augustus 2018, nu tussen partijen geen andere afspraken zijn gemaakt, (iii) dat partijen gehuwd zijn geweest van 26 april 1984 tot 15 augustus 2006 en (iv) dat de vrouw op het moment van de echtscheiding op 15 augustus 2006 56 jaar oud was.
Onderdeel 3.11.4stelt dat deze vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, een (zeer) terughoudende opstelling rechtvaardigen bij de beantwoording van de vraag of de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken en daarmee het eerder vastgestelde recht op partneralimentatie is komen te vervallen, te meer nu het de alimentatieplichtige is die de relevante omstandigheden die meebrengen dat deze vraag positief moet worden beantwoord, moet stellen en bewijzen.
kantoekennen. Vaste rechtspraak is dat de rechter bij de vaststelling grote vrijheid heeft en dat zijn beslissing slechts in beperkte mate toetsbaar is in cassatie. [10] Aan beslissingen die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefte aangevoerde omstandigheden kunnen in het algemeen geen hoge motiveringseisen worden gesteld, [11] althans niet als het gaat om een beslissing over omstandigheden die niet leiden tot een – min of meer – definitieve beëindiging van de onderhoudsplicht. [12]
objectieveen
subjectieveniet-financiële factoren. Zij kunnen van invloed zijn op de omvang én op de duur van de uitkering. Bij de
objectieveniet-financiële factoren valt vooral te denken aan de leeftijd van partijen toen zij huwden en uit elkaar gingen, de duur van het huwelijk en de duur van de samenwoning. Verder kan relevant zijn de tijd die verstreken is tussen de scheiding en het moment waarop de rechter de alimentatievraag moet beoordelen. [14] Bij de
subjectieveniet-financiële factoren gaat het om persoonlijke omstandigheden en gedragingen, op grond waarvan in redelijkheid van de ex-echtgenoot niet kan worden gevergd een alimentatiebijdrage te betalen. Daarbij kan in eerste instantie worden gedacht aan (wat wel wordt genoemd)
wangedragvan de in beginsel tot een uitkering gerechtigde. Het hoeft daarbij niet te gaan om wangedrag in de zin van slecht, afkeurenswaardig gedrag. [15] Het gaat om zodanig gedrag dat gezien de bijzondere verhouding tussen partijen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen (volledige) nakoming van de onderhoudsplicht kan worden verlangd. [16] Dergelijk gedrag brengt mee dat aan de lotsverbondenheid tussen de ex-echtgenoten een einde is gekomen. Met andere woorden, de alimentatiegerechtigde kan zich zodanig gedragen dat geen sprake is meer van lotsverbondenheid, waardoor de basis aan betaling van een alimentatiebijdrage is komen te ontvallen. [17] Het is aan de feitenrechter om te bepalen wanneer sprake is van dergelijk gedrag. In het algemeen zal dat niet snel worden aangenomen. [18] Zo kan de rechter ondanks gedragingen die voor de ander grievend zijn – alle andere, ook financiële, omstandigheden in aanmerking nemend – toch komen tot de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud. [19]
nietals wangedrag werden aangemerkt: [22]
hoefthet niet te gaan om wangedrag. Ook andere persoonlijke omstandigheden en gedragingen kunnen tot de conclusie leiden dat in redelijkheid geen bijdrage in het levensonderhoud van de voormalige levenspartner (meer) kan worden gevergd. [23] Ook voor rechterlijke uitspraken met betrekking tot niet-financiële factoren geldt dat zij in zoverre een hoog feitelijk karakter hebben en op dat punt in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. [24]
subjectieveniet-financiële factoren die zijn opgekomen ná het eindigen van het huwelijk van partijen. Deze hebben naar het klaarblijkelijke oordeel van het hof bij zijn oordeel dat de lotsverbondenheid is verbroken, (aanzienlijk) meer gewicht in de schaal gelegd dan de vier feiten en omstandigheden (alle
objectieveniet-financiële omstandigheden) die onderdeel 3.11.3 noemt. Onderdeel 3.11.4 betoogt op zichzelf met juistheid dat het de alimentatieplichtige is die feiten en omstandigheden moet stellen, en zo nodig bewijzen, die kunnen leiden tot het oordeel dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. Uit de beschikking blijkt echter niet dat het hof dit heeft miskend. Het middel klaagt daarover ook niet.
onderdeel 3.12.5dat de alimentatiegerechtigde niet bij iedere wijziging in de financiën over hoeft te gaan tot het actief informeren van de alimentatieplichtige. Voor zover het hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, klaagt
onderdeel 3.12.6dat dat onjuist, althans onbegrijpelijk is.
belangrijkewijziging voordoet in zijn financiële situatie, hij de alimentatieplichtige daarover actief informeert. Een belangrijke wijziging kan namelijk van invloed zijn op de omvang van de door de alimentatieplichtige te betalen alimentatie. Het hof oordeelt vervolgens dat het verkrijgen van een aanzienlijke nalatenschap door de alimentatiegerechtigde veelal is aan te merken als een relevant feit in het kader van onderhoudsverplichtingen. et Uit het bestreden oordeel volgt dat het hof de omstandigheid dat de vrouw als enig erfgenaam een woonhuis heeft geërfd, ook al rust daar een recht van hypotheek op, als relevant heeft aangemerkt. Dat oordeel is geenszins onjuist of onbegrijpelijk. Daarbij komt dat het hof in rov. 24 overweegt dat de vrouw noch aan de man noch aan het hof inzicht heeft gegeven in haar verkrijging uit de nalatenschap van [betrokkene 1], en dat het hof derhalve niet kan vaststellen wat de omvang van de nalatenschap is geweest. Kortom: het hof kón ook niet vaststellen of, in de woorden van het onderdeel, het hebben verkregen door de vrouw van de erfenis in kwestie “werkelijk relevant” was voor de omvang van de door de man te betalen alimentatie. De klachten falen.
onderdeel 3.12.8naar vindplaatsen in de processtukken waarin de vrouw volgens het onderdeel gemotiveerd en gedocumenteerd uiteen heeft gezet dat [betrokkene 1] haar enkel een woonhuis heeft achtergelaten en verder geen actief, en dat zij daarnaast gedocumenteerd heeft gesteld wat de waarde was van de woning en de omvang van de daarop rustende hypotheekrechten. [28] In het licht van deze stellingen is volgens
onderdeel 3.12.9zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk het oordeel van het hof (i) dat het niet kan vaststellen wat de omvang van de nalatenschap is geweest, (ii) dat de vrouw niet tijdig ten behoeve van de mondelinge behandeling financiële gegevens heeft verstrekt, zodat het hof zich niet goed kon voorbereiden, en (iii) dat het niet voldoende inzicht heeft verkregen in de financiële positie van de vrouw in verband met de vraag of zij nog aanspraak kan maken op partneralimentatie. Dit klemt volgens het onderdeel temeer nu de man tegenover de stellingen van de vrouw weinig heeft aangevoerd en op hem de stelplicht en bewijslast rusten met betrekking tot zijn verzoek om de eerder vastgestelde partneralimentatie te beëindigen in verband met het vervallen van de lotsverbondenheid.
Onderdeel 3.12.10voegt daaraan toe dat de rechtbank heeft overwogen dat de man zijn stelling dat de vrouw door de ontvangen erfenis van [betrokkene 1] niet meer behoeftig zou zijn, in het licht van de betwisting door de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd, en dat de rechtbank daarbij in aanmerking heeft genomen dat het geërfde vermogen enkel bestond uit een woning belast met een hypotheek en niet ook nog uit een banksaldo.
Onderdeel 3.12.11bevat ten opzichte van het voorgaande geen nieuwe klacht, maar een nadere uitwerking van de eerdere stelling met betrekking tot de stelplicht en bewijslast.
(kort) na het overlijden van [betrokkene 1], derhalve in 2012, heeft geïnformeerd over het feit dat zij in diens nalatenschap (enig) erfgenaam was en een woonhuis heeft geërfd. De man is hiervan eerst drie jaar later, vlak voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank, op de hoogte gekomen. Het hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat van de vrouw had mogen verwacht dat zij de man
destijds, in 2012, uit eigen beweging had geïnformeerd over de ontvangen erfenis. In zoverre is de uitleg die de vrouw
in de onderhavige procedureheeft gegeven over de erfenis niet van belang.
op verzoek van het hoféén dag voor de mondelinge behandeling aangiftes IB over de jaren 2012 tot en met 2015 in het geding heeft gebracht. Hieruit volgt allereerst dat de vrouw in de procedure
niet uit eigen bewegingde van belang zijnde belastingaangiftes heeft overgelegd. [29] Bovendien is de vrouw niet volledig geweest. De vrouw heeft in ieder geval niet overgelegd het testament van [betrokkene 1], de aangifte erfbelasting en de aanslagen IB. [30] Ook heeft de vrouw geen inzicht gegeven in de banksaldi van [betrokkene 1] ten tijde van zijn overlijden, terwijl zij wel zijn enige erfgenaam zou zijn. [31] Het is in een alimentatieprocedure gebruikelijk dat in ieder geval de relevante aanslagen IB in het geding worden gebracht. Ik wijs in dat verband ook op art. 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, waarin onder c is vermeld dat de meest recente aangiftes inkomstenbelasting, met de bijbehorende aanslag moeten worden bijgevoegd. Verder is onder h van art. 2.1.2 vermeld dat bewijsstukken moeten worden overgelegd ‘van andere posten die in geschil zijn’.
Onderdeel 3.12.14voegt daaraan toe dat het hof, indien het komt tot een dergelijk oordeel, moet vaststellen wat de aard en omvang is van de (volgens het hof ) door de vrouw verzwegen nalatenschap en haar (verdere) financiële positie. Het moet volgens de klacht “immers gaan om een zodanig (grievend) gedrag en het verzwijgen van een zodanige bepaalde omvang van een nalatenschap en/of een financiële positie meer in het algemeen dat deze werkelijk relevant is voor de bepaling (bijstelling) van de alimentatieverplichting.” Daaromtrent heeft het hof volgens het onderdeel niets vastgesteld en overwogen.
onderdeel 3.13in op de derde omstandigheid die het hof heeft geleid tot het oordeel dat de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen: de niet actieve houding van de vrouw om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien.
Onderdeel 3.13.3klaagt dat, als al niet onjuist of onbegrijpelijk zou zijn het oordeel dat de vrouw niet deugdelijk heeft onderbouwd waarom zij geen eigen inkomsten heeft kunnen verwerven en dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom argumenten als leeftijd, geen opleiding en dergelijke het verkrijgen van een betaalde baan in de weg zou staan, dat hooguit had kunnen leiden tot nihilstelling althans vermindering van de partneralimentatie. Dit is volgens de klacht in een dergelijk geval de juiste gang van zaken, waarna de vrouw eventueel op basis van een procedure op de voet van art. 1:401 BW Pro bij gewijzigde omstandigheden verhoging van alimentatie had kunnen vragen.
onderdeel 3.13.4dat het hof bij zijn oordeel dat de vrouw niet deugdelijk heeft onderbouwd waarom zij geen inkomsten heeft kunnen verwerven, de stelplicht en bewijslast miskent, voor zover het die stelplicht op de vrouw heeft willen leggen.
Onderdeel 3.13.5klaagt vervolgens dat het hof in het licht daarvan onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vrouw niet deugdelijk heeft onderbouwd dat zij zich niet voldoende heeft ingespannen om (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Volgens de klacht volstaat het hof met een te beperkte motivering. Daarbij verwijst het middel naar vindplaatsen in de processtukken waarin (onder meer) de verdiencapaciteit van de vrouw aan de orde is gesteld. [34]
onderdeel 3.13.5slaagt niet. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de vrouw niet genoegzaam heeft aangetoond wat zij
in de periode van na de beschikking van 31 januari 2007 tot de eerste operatie in 2010, een periode van ruim drie jaar, heeft gedaan om betaald werk te vinden. Dit oordeel is, zeker in het licht van de genoemde beschikking uit 2007, niet onbegrijpelijk.
onderdelen 3.14.2 en 3.14.3klagen dat het (enkele) aan de orde zijnde tijdsverloop rechtens niet relevant/voldoende is. Het middel wijst er in dat verband op dat partijen gedurende meer dan 22 jaar getrouwd zijn geweest en doet in
onderdeel 3.14.5een beroep op HR 2 mei 1986. In deze beschikking heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: [37]
onderdeel 3.14.6dat het hof zich van deze rechtsopvatting niet dan wel onvoldoende rekenschap heeft gegeven. In de
onderdelen 3.14.7 en 3.14.8wordt aangevoerd dat een lang huwelijk, “zoals in casu”, juist meebrengt dat de lotsverbondenheid tussen ex-echtgenoten sterker is dan in (zeer) korte huwelijken en dat de factor betreffende de duur van de onderhoudsplicht sinds de invoering van de wettelijke maximumduur van partneralimentatie sterk aan betekenis heeft ingeboet.
onderdeel 3.15worden enkele afrondende beschouwingen gegeven over het oordeel van het hof. Het middel stelt in
onderdeel 3.15.1dat bij de beoordeling van de motivering in de bestreden overwegingen moet worden benadrukt dat het hof van oordeel is dat de tekortkomingen de vrouw kunnen worden verweten (aangerekend). Vervolgens wordt in
onderdeel 3.15.2onder verwijzing naar literatuur en een enkele uitspraak betoogd dat dergelijk “wangedrag” gelet op de lotsverbondenheid niet snel wordt aangenomen en dat (grote) terughoudendheid en een hoge(re) motiveringsplicht geboden/vereist zijn.
Onderdeel 3.16.2klaagt dat onjuist dan wel niet voldoende begrijpelijk is waarom het hof voor die datum heeft gekozen. Ter toelichting wordt in
onderdeel 3.16.3aangevoerd dat het overlijden van [betrokkene 1] nog niet (zonder meer) betekent dat de vrouw wist (althans behoorde te weten) dat er op dat moment sprake was van een zodanige (aanzienlijke) nalatenschap dat zij gehouden was dat aan de man actief mede te delen als zijnde relevant in het kader van de onderhoudsverplichting.
onderdeel 4.3.1dat verhoogde motiveringseisen gelden als de rechter een terugbetalingsverplichting vaststelt bij een nihilstelling of vermindering van een eerder vastgestelde alimentatieverplichting en dat deze eisen niet gelden in het geval dat de rechter constateert dat de alimentatieverplichting is komen te vervallen op de voet van art. 1:160 BW Pro.
Onderdeel 4.3.3betoogt dat het hof had moeten aansluiten bij de jurisprudentie betreffende de verlaging of nihilstelling van een alimentatieverplichting per een datum in het verleden, zodat verhoogde motiveringseisen gelden, en dat het hof voorts had moeten onderzoeken of en in welke omvang een (eventuele) terugbetalingsverplichting aan de orde is. Volgens het middel is in dat verband relevant dat, anders dan in een situatie als bedoeld in art. 1:160 BW Pro, het bij de vraag of sprake is van het vervallen van de lotsverbondenheid gaat om een weging van alle feiten en omstandigheden (
onderdeel 4.3.4), en dat er in dat geval reden is om aan te sluiten bij de jurisprudentie betreffende de motiveringseisen die gelden in het geval van een nihilstelling of vermindering van een alimentatieverplichting (
onderdeel 4.3.6).
Onderdeel 4.3.7klaagt dat het hof in het licht van het bovenstaande niet althans onvoldoende begrijpelijk heeft gerespondeerd op het verweer van de vrouw tegen een terugbetalingsverplichting met terugwerkende kracht. [41]
op dat momenteindigt. Het is de door het huwelijk aanwezige nauwe persoonlijke lotsverbondenheid van de echtgenoten waarop de alimentatieverplichting is gebaseerd. Indien die wordt verbroken, hetgeen afhankelijk is van een weging van alle feiten en omstandigheden van het geval, dan vervalt vanaf dat moment ook de verplichting tot het (nog langer) betalen van partneralimentatie. De hiervoor in 2.40 vermelde regels (behoedzaamheid, zwaardere motiveringseisen) gelden m.i. dan niet.