Conclusie
middelkomt – in samenhang met de toelichting gelezen – met drie motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaringen van de feiten 4 en 5. De eerste klacht is gericht tegen het “van misdrijf afkomstig” zijn van de in deze bewezenverklaringen genoemde geldbedragen. De tweede klacht houdt in dat het “verhullen” van de herkomst van dezelfde geldbedragen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden. De derde klacht luidt dat met betrekking tot feit 4 het medeplegen niet uit de bewijsmiddelen volgt.
feit 4: (gewoonte)witwassen (zaaksdossier 5)
feit 5: (gewoonte)witwassen (zaaksdossier 5)
Feit 3, 4 en 5:
huiszoeking ter inbeslagnamed.d. 19 mei 2015, p. 6009, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Proces-verbaal van weging, testen en opsturen van monster naar laboratoriumvan de in beslag genomen verdovende middelen d.d. 19 mei 2015, pagina 6015-6017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Rapport van Analytisch Diagnostisch Centrumd.d. 7 september 2015, los stuk, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
verklaring van de verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juni 2016 afgelegd, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Proces-verbaal van bevindingen Western Uniond.d. 24 augustus 2015, pagina 5048 t/m 5052, voor zover inhoudende, als verklaring van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , financieel rechercheurs van het Recherche Samenwerkingsteam, vestiging Curaçao, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
de verklaring van de getuige [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
een tapgesprekvan 15 augustus 2013, aard: SMS, p. 5030:
verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven:
verklaring van verbalisant [verbalisant 2]. zakelijk weergegeven:
De verklaring van de verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep op 2 juni 2016 afgelegd, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Bewijsoverwegingen
“Artikel 435a (oud)
Artikel 435b (oud)
“Artikel 2:404
Artikel 2:405
redelijketwijfel hoeft te resteren die aan bewezenverklaring in de weg staat. De omstandigheid dat de verdachte de bestaande, sterke aanwijzingen van afkomst uit misdrijf niet heeft weerlegd, draagt er op die manier aan bij dat het op sterke aanwijzingen gebaseerde, aanvankelijk voorlopige en voorwaardelijke, bewijsoordeel stolt tot de rechterlijke vaststelling dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. Vanuit dit perspectief is niet zozeer het zwijgen van de verdachte, maar het ontbreken van een steekhoudend alternatief voor het tenlastegelegde, voor de bewijsconstructie van belang.
tussenpersoon(door mij alvast gecursiveerd met het oog op de derde klacht) heeft gefungeerd waardoor de geldbedragen zich niet meer eenvoudig laten herleiden tot de oorspronkelijk uit Nederland verzonden en door de verdachte ontvangen geldbedragen. Het “verhullen” van de herkomst van de geldbedragen kan daarmee zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid, lijkt mij.