ECLI:NL:HR:2004:AP2124
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.L.M. Urlings
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Bewijsvereisten voor herkomst van geld bij witwassen volgens art. 420bis Sr
In deze zaak stond de vraag centraal of het bewijs voor het onderdeel "afkomstig uit enig misdrijf" bij witwassen ex art. 420bis Sr moet leiden tot een nauwkeurige aanduiding van het misdrijf en de dader, tijd en plaats van het misdrijf. De verdachte werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van 24.000 euro waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf.
De bewijsmiddelen bestonden uit processen-verbaal van politie waarin werd vastgesteld dat de verdachte grote geldbedragen en marihuana bij zich had, en verklaringen van de verdachte zelf waarin hij toegaf dat het geld en de drugs afkomstig waren van een opdrachtgever en dat hij wist dat het geld van drugs of diefstal afkomstig was.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet vereist is dat uit de bewijsmiddelen blijkt welk specifiek misdrijf aan het geld ten grondslag ligt, noch wie, wanneer en waar dit misdrijf is gepleegd. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis en het doel van de strafbaarstelling van witwassen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof dat het geld, gelet op de omstandigheden en verklaringen, afkomstig was uit enig misdrijf. Het beroep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor witwassen wordt bevestigd.