Conclusie
eerstemiddel bevat een aantal deelklachten die de bewijsvoering van de bewezen verklaarde feiten betreffen, en dan in het bijzonder de koppeling van de verdachte aan de telefoon waarvan het nummer eindigt op * [0001] .
Pistool met geluidsdemper (AAHE3323NL)
Drie hulzen 7.65 mm Browning
Twee hulzen 7.62x39mm
Kogelmanteldelen
Relatie telefoonnummer * [0001] en de overval
[0001] ]
Relatie * [0001] en verdachte
moetde vaste gebruiker zijn van telefoonnummer - [0001] . [verdachte]
moetook in de nacht van de overval de gebruiker zijn geweest van de - [0001] . En de gebruiker van de - [0001]
moetmedepleger zijn van de overval en de schietpartij. (...) Voor de duidelijkheid: er is geen enkel bewijs dat nummer - [0001] in de nacht van 11 op 12 mei 2014 überhaupt in Utrecht is geweest. Het nummer is in Mijdrecht geweest en op basis van de verklaringen van [medeverdachte] wordt geconcludeerd dat het niet anders kan dan dat de gebruiker van het nummer - [0001] in Mijdrecht één van de medeplegers van de overval is geweest.
tweedemiddel klaagt dat het hof het onder 3 ten laste gelegde (medeplegen van poging tot -kort gezegd- gekwalificeerde doodslag) ten onrechte bewezen heeft verklaard. Uit de toelichting kan worden afgeleid dat de steller valt over de bewijsoverweging van het hof dat de verdachte zich de mogelijkheid van een vuurgevecht om de vlucht mogelijk te maken gerealiseerd moet hebben. Die vaststelling zou onvoldoende zijn om te kunnen spreken van het (voor art. 288 Sr Pro) vereiste oogmerk.
NJ2014/514 m.nt. Mevis (Nijmeegse scooterzaak) kan worden afgeleid dat Uw Raad het voor mogelijk houdt dat uit de (nauwe en bewuste) samenwerking bij de voorbereiding van de overval de nauwe en bewuste samenwerking bij de vlucht voortvloeit. Dat bevestigt de relevantie van het gezamenlijk plan voor de toerekening van delictshandelingen. [21] Dat ook de bewustheid van de medepleger van omstandigheden en gevaren die de uitvoering van het plan begeleiden van belang is, kan worden afgeleid uit HR 19 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6118. De verdachte overhandigde zijn zoon voor de school waarin de ex-vriend van zijn dochter zich bevond een pistool. De zoon schoot tijdens de zoektocht naar de ex-vriend ook op vier anderen. Uw Raad liet het arrest van het hof waarin de verdachte werd veroordeeld wegens het medeplegen van vier pogingen tot doodslag in stand. Daarbij speelde een rol dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte wist dat zich op dat tijdstip vele personen in de school bevonden en dat zijn zoon een ongeoefend schutter was. [22] Postma signaleert dat het onderhavige delict nog wel was gerelateerd aan een uitvoeringsaspect van het plan, het ‘samenwerkingsdoel’. [23] Medeplegen wordt -op grond van bewustheid van gevaren- ook wel aangenomen in zaken waarin dat verband met het samenwerkingsdoel geringer is. In HR 20 januari 1998,
NJ1998/426 was sprake van een woninginbraak, gevolgd door vuurwapengeweld van de mededader tegen twee politieagenten. Uit de omstandigheid dat de verdachte zich niet heeft gedistantieerd toen hem duidelijk werd dat zijn mededader gewapend was, mocht worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het begaan van dit kwalificerend geweld. [24]
Betrokkenheid poging doodslag’. Indien deze overwegingen in verband worden gebracht met het in het voorgaande geschetste kader, dan blijkt dat die overwegingen vooral -zoals het kopje ook aangeeft- het medeplegen van de poging doodslag betreffen. Dat wekt ook geen verbazing in het licht van hetgeen blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting aldaar naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft beargumenteerd, mede aan de hand van het arrest van Uw Raad in de Nijmeegse scooterzaak, waarom van het medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag sprake zou zijn. De raadsman heeft aan de vereisten voor medeplegen geen woorden gewijd. Het tweede middel klaagt er -terecht- ook niet over dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd waarom het van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken.