ECLI:NL:HR:2002:AE6118
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen poging tot moord en doodslag
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot moord en poging tot doodslag, alsmede voor verboden wapenbezit. Het hof had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar.
Het cassatiemiddel richtte zich tegen de motivering van het hof omtrent het opzet van verdachte, met name de aanvaarding van bewustheid van de aanmerkelijke kans dat zijn zoon ook andere personen dan het beoogde slachtoffer zou raken. De Hoge Raad oordeelt dat het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld over het bewijs en de betrouwbaarheid van verklaringen, waaronder die van de zoon.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien de zaak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd behandeld. Dit leidt tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze tot acht jaar en zes maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot acht jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt voor het overige verworpen.