Conclusie
middel
of omstreeks14 december 2012 te Antwerpen (België) tezamen en in vereniging met een ander of anderen
, althans alleen,met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen de container [001] (met inhoud kobalt
ter waarde van 1.500.000 euro),
in elk geval enig goed, geheel of ten deletoebehorende aan MSC Home Terminal en/of [A] en/of [B] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn /haar mededader(s) en/of aan verdachte,waarbij die onbekend gebleven persoon en/of zijn/haar mededader(s)
de/het weg te nemen goed
(eren)onder
zijn/haar/hun bereik
heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op
of omstreeks14 december 2012 te Wouwse Plantage en
/ofSpijkenisse
, althans in Nederlandopzettelijk gelegenheid
, middelen en/of inlichtingenheeft verschaft door die container op te halen in
deWouwse Plantage en
/of (vervolgens
)te vervoeren naar een daartoe afgesproken plaats”
proces-verbaalvan de Federale gerechtelijke politie Antwerpen, d.d. 16 december 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1 t/m 3):
proces-verbaal observeren vrijdag 14 december 2012d.d. 14 december 2012 van de politie Rotterdam- Rijnmond met nr. 38012141212 . se3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 59 t/m 65):
proces-verbaal van bevindingend.d. 22 januari 2012 (het hof begrijpt: 2013) van de politie eenheid Rotterdam met nr. 2012559097. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 39 t/m 42):
proces-verbaal verhoor verdachted.d. 14 december 2012 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17L0 2012570968-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8 t/m 10):
als de op 14 december 2012 afgelegde verklaring van [verdachte] :
proces-verbaal verhoor verdachted.d. 15 december 2012 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17LO 2012570968-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 11 t/m 14):
als de op 15 december 2012 afgelegde verklaring van [verdachte] :
proces-verbaal van bevindingend.d. 22 januari 2012 van de politie eenheid Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17LO 2012575317-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 51):
proces-verbaal verhoor verdachted.d. 2 januari 2013 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17LO 2012570968-29. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 49 t/m 52 ):
als de op 2 januari 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:
proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, d.d. 19 december 2012 van de politie Rotterdam - Rijnmond met nr. PL17L0 2012570968-20. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 16 t/m 23):
NJ1988/835 m.nt. Mulder. Dat betrof een OM-cassatie tegen de vrijspraak van de verdachte, aan wie was tenlastegelegd – kort gezegd - “medeplichtigheid aan moord door opzettelijk behulpzaam te zijn bij het plegen van de moord dan wel opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen tot het plegen van de moord, door het plan voor het plegen van de moord mee op te stellen dan wel daarbij behulpzaam te zijn en/of overeenkomstig een tevoren met de pleger van de moord gemaakte afspraak met een auto in de nabijheid van de plaats van het misdrijf te wachten, teneinde de pleger te helpen vluchten, althans de vlucht mogelijk en/of gemakkelijk te maken”. De Hoge Raad oordeelde dat het hof, “door te oordelen dat het overeenkomstig een tevoren met de pleger van een moord gemaakte afspraak met een auto in de nabijheid van de plaats des misdrijfs wachten ten einde deze te helpen vluchten, althans hem de vlucht mogelijk en/of gemakkelijk te maken, niet oplevert het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf als bedoeld in art. 48 aanhef Pro en onder 1 Sr, heeft blijk gegeven van een opvatting omtrent dit behulpzaam zijn welke niet met een juiste uitlegging van genoemd wetsartikel valt overeen te brengen”. Uit dit arrest blijkt dat onder omstandigheden iemand medeplichtig kan zijn aan een misdrijf door de eerdere toezegging aan de pleger om hem, nadat het feit is gepleegd, te helpen bij de vlucht. [15] In de woorden van De Hullu: “De moordenaar handelde dan immers in het besef dat hij zou kunnen ontkomen, de afspraak met de medeplichtige en het effect daarvan behoeven dan zeker niet alleen in de periode na de moord te worden gesitueerd.” [16] Het uitgangspunt dat als het misdrijf eenmaal is voltooid, geen strafbare medeplichtigheid meer kan plaatsvinden blijft in deze uitspraak op zichzelf wel overeind. De strafbare medeplichtigheid ziet immers niet alleen op de daadwerkelijke hulp na afloop van het feit, maar vindt zijn oorsprong in de reeds vóórdat het feit gepleegd is gemaakte afspraak met de pleger over die hulp. Deze uitspraak past naar ik meen in de meer algemene lijn die geldt bij deelneming aan feiten waarbij de aansprakelijkheid van de deelnemer met name wordt gegrond op een bepaalde rolverdeling en een zekere mate van overkoepelend opzet bij een “criminele onderneming”. Dat laatste impliceert een wat ruimer begrip dan voortvloeit uit de technisch-juridische definitie van het ‘gronddelict’. Doorslaggevend is dan ook niet de vraag wanneer precies de handelingen van de (hoofd)dader hebben geleid tot realisatie van de delictsbestanddelen. Die gedachtegang komt meen ik ook naar voren in de arresten van de Hoge Raad in de zogenaamde Nijmeegse scooterzaak, waarin het ging om de vraag of de verdachten die van plan waren samen een hotel te beroven, veroordeeld konden worden voor het medeplegen van het aanrijden van een persoon, welke aanrijding was plaatsvond tijdens de vlucht op een scooter die volgde nadat de verdachten bij het hotel dat ze wilden beroven geconfronteerd werden met de politie. [17] In de eerste cassatiezaak in 2013 oordeelde de Hoge Raad dat wanneer “het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, geenszins is uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien (in het onderhavige geval: in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval) is ontstaan”. De Hoge Raad vernietigde het de verdachte vrijsprekende arrest. Onlangs oordeelde de Hoge Raad opnieuw in cassatie over dezelfde zaken. [18] De Hoge Raad oordeelde het volgende: