Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
HR BNB 2015/174 [4] en
HR BNB 2016/177 [5] heeft geoordeeld dat het stelsel van de vermogensrendementsheffing in strijd is met artikel 1 EP Pro indien het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent (4%) voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last.
eerste cassatiemiddelvan belanghebbende is gericht tegen het oordeel van het Hof dat voor de vraag of artikel 1 EP Pro op individueel niveau is geschonden de totale inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende in aanmerking dient te worden genomen.
tweede cassatiemiddelstelt belanghebbende dat sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
incidentele beroep in cassatievoert de Staatssecretaris aan dat het Hof bij de beoordeling van de haalbaarheidstoets ten onrechte is uitgegaan van het reële rendement op risicoarme beleggingen. Ook heeft het Hof bij de beoordeling van die toets een te korte termijn in aanmerking genomen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177heeft geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1 EP Pro. De Rechtbank heeft voorts uit de hiervoor genoemde arresten afgeleid dat dit stelsel wel in strijd komt met artikel 1 EP Pro indien blijkt dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% niet meer haalbaar is voor particuliere beleggers en indien belanghebbende wordt getroffen door een individuele en buitensporig zware last.
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177is geoordeeld dat het stelsel van de vermogensrendementsheffing in strijd komt met artikel 1 EP Pro indien het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last.
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177gegeven criterium van ‘een lange reeks van jaren’ vervolgens ingevuld als zijnde de periode vanaf de invoering van het stelsel van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in 2001 tot het jaar 2013 en bij voorkeur een nog langere periode.
3.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelbetreft schending van artikel 1 EP Pro. Dit cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Het
tweede cassatiemiddelbetreft de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
eerste onderdeel van het eerste cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat het onbegrijpelijk is dat het Hof bij de beoordeling van de vraag of de belastingheffing over het box 3-vermogen voor hem een individuele en buitensporige last vormt, de totale inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende in de beschouwing heeft betrokken. Ter toelichting heeft belanghebbende aangevoerd dat de wetgever bij de invoering van de Wet IB 2001 heeft gekozen voor het boxenstelsel, waarbij elke box zijn eigen belastingregime heeft. Voor de belastingheffing in box 3 dient dus niet gekeken te worden naar de inkomens- en vermogensbestanddelen die de belastingheffing in een andere box bepalen, aldus belanghebbende. Ook valt uit de toets zoals aangelegd in
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177niet af te leiden dat voor de vraag of sprake is van een buitensporige zware last de totale inkomens- en vermogenspositie in de beoordeling betrokken dienen te worden.
tweede onderdeel van het eerste cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat doordat de belastingheffing plaatsvindt op basis van een hoger forfaitair rendement dan het reëel behaalde rendement, zijn reële vermogen in de jaren 2001 tot en met 2013 is afgenomen. Daarbij merkt belanghebbende op dat het reële rendement op zijn spaargelden in 2013 negatief was, zodat de forfaitaire rendementsheffing leidt tot een oneigenlijke ontneming hetgeen in strijd is met artikel 1 EP Pro. Belanghebbende verwijst naar de conclusie van 4 februari 2016 van mijn ambtsgenoot Niessen. [11]
tweede cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat zijn gemiddelde reële rendement in de periode 2001 tot 2017 gemiddeld 0,7% bedroeg, waardoor de gemiddelde belastingdruk op 170% uitkomt. Doordat bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 geen rekening is gehouden met het reële door belanghebbende behaalde rendement van negatief 0,5% is in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel.
HR BNB 2011/65 [12] betoogd dat voor de beoordeling of de vermogensrendementsheffing in het geval van belanghebbende leidt tot een individuele buitensporige last, dient te worden vastgesteld of en in hoeverre deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Het oordeel van het Hof dat artikel 1 EP Pro niet is geschonden op individueel niveau getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met de waarderingen van feitelijke aard, niet in cassatie op juistheid worden getoetst, aldus de Staatssecretaris.
incidentele cassatiemiddelvoert de Staatssecretaris aan dat het Hof voor de haalbaarheidstoets ten onrechte heeft overwogen dat gekeken dient te worden naar (1) uitsluitend beleggingen met weinig risico, zoals spaarrekeningen, staatsleningen en staatsobligaties (de risicoarme beleggingen) en (2) het reële rendement dat is gerealiseerd op de risicoarme beleggingen in de periode van 2001 tot 2013.
HR BNB 2018/19 [14] waarin werd geoordeeld dat het voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP Pro niet voldoende is dat het rendement op bepaalde bezittingen structureel beneden de 4% blijft. In dat geval ging het om een onder de huurbescherming vallende verhuurde woning.
4.Beoordeling van de middelen
Principaal cassatieberoep
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177dat bij de vraag of sprake is van een buitensporige zware last het tarief in aanmerking dient te worden genomen en niet de totale inkomens- en vermogenspositie, aldus belanghebbende.
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177gaat het om de toets van artikel 1 EP Pro op regelniveau. Bij de toets van artikel 1 EP Pro op individueel niveau heeft het Hof de totale inkomens- en vermogenspositie van belanghebbende in de beoordeling meegenomen. Gelet op het arrest
HR BNB 2018/137 [16] is slechts sprake van een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van de betrokken belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dat het geval is moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad overweegt onder meer: