Conclusie
middelklaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en iets anders bewezen heeft verklaard dan ten laste is gelegd. De door het hof ‘verbeterde’ vaststelling van de tenlastelegging zou feitelijk een wijziging in de zin van art. 313 Sv Pro inhouden. Het oordeel van het hof dat de verdachte door de verbeterde lezing niet in zijn verdediging is geschaad, zou bovendien onbegrijpelijk zijn.
Omschrijving strafbaar feitvoorhanden hebben van beschermde inheemse diersoort (2 konijnen)
NJ1996/93 (‘te Bladel, gemeente Bladel en Netersel’ mocht worden gelezen als ‘te Netersel, gemeente Bladel en Netersel’), HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0497,
NJ1997/106 (‘te Echt’ mocht worden gelezen als ‘in de gemeente Echt’), HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC8327,
NJ1999/89 m.nt. De Hullu (in ‘te Weert, gemeente Meerssen’ mocht ‘gemeente Meerssen’ worden weggelaten) en HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6253,
NJ2007/286 m.nt. De Jong (‘Vechteinlaan’ mocht worden gelezen als ‘Vechtensteinlaan’). Niet iedere verbetering van de pleegplaats is evenwel toegestaan. Zo had het hof in HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8787,
NJ2011/544 de in de tenlastelegging vermelde plaatsaanduiding ‘te Franeker, althans in de gemeente Franekeradeel’ in de bewezenverklaring gewijzigd in ‘te Franeker en/of Leeuwarden’. Uw Raad oordeelde dat de toevoeging van ‘en/of Leeuwarden’ aan de tenlastelegging niet kon worden gezien als verbetering van een misslag in de hiervoor bedoelde zin, maar een wijziging van de tenlastelegging opleverde die slechts op de voet van de artikelen 313 en 314 Sv kon plaatsvinden.
NJ2006/37 het in de tenlastelegging van poging tot gekwalificeerde diefstal vermelde ‘door/kapot geknipt’ hebben van een telefoonlijnkabel verbeterd worden gelezen als het ‘doorgezaagd’ hebben daarvan. Daarbij nam Uw Raad in aanmerking dat het ging om een aanpassing van ondergeschikte betekenis die geen wezenlijke wijziging in de feitelijke omschrijving van het feit teweegbracht. [4] Daarentegen was in HR 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2794 naar het oordeel van Uw Raad sprake van een wezenlijke verandering van de feitelijke grondslag van de tenlastelegging. Het ging daarbij om een tenlastelegging van oplichting waarin de verdachte werd verweten dat hij zich had voorgedaan als de rechtmatige eigenaar van een te koop aangeboden personenauto. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte zich had voorgedaan als de broer van de rechtmatige eigenaar van de desbetreffende auto. Uw Raad oordeelde dat het hof met de toevoeging van ‘de broer van’ de grondslag van de tenlastelegging had verlaten. [5]
NJ2011/22, betreffende het aan een ander ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk, overwoog Uw Raad dat de tenlastelegging, naar bevestiging vond in de daarbij in de dagvaarding vermelde wettelijke voorschriften, onmiskenbaar was toegesneden op overtreding van het bij art. 1.2.2 (oud) Vuurwerkbesluit gestelde verbod. Uw Raad oordeelde dat het hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door in die tenlastelegging het woord ‘bedrijfsmatig’ in te lezen en vervolgens dat bestanddeel van het bij art. 2.3.5 (oud) Vuurwerkbesluit gestelde verbod in de bewezenverklaring in te voegen. In HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047,
NJ2014/490 was een tenlastelegging van witwassen (primair) toegesneden op handelen in strijd met art. 420bis, eerste lid aanhef en
onder a, Sr en art. 420ter Sr en (subsidiair) op handelen in strijd met art. 420bis, eerste lid aanhef en
onder a, Sr, onderscheidenlijk art. 420quater, eerste lid aanhef en
onder a, Sr. Het hof las de tenlastelegging verbeterd, als mede inhoudend ‘en/of die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit een misdrijf.’ Uw Raad oordeelde dat de toevoeging aan de tenlastelegging van deze aan art. 420bis, eerste lid aanhef en
onder b, Sr onderscheidenlijk art. 420quater, eerste lid aanhef en
onder b, Sr ontleende bestanddelen niet kon worden gezien als het herstel van een misslag, maar een wijziging van de tenlastelegging opleverde die slechts op de voet van de art. 313 en Pro 314 Sv kon plaatsvinden. [6]
NJ2009/494 m.nt. Reijntjes had het hof de in de tenlastelegging vermelde tijdsaanduiding ‘op of omstreeks 19 juni 2005’ in de bewezenverklaring gewijzigd in ‘op 16 september 2005’. Het hof had in dit verband niet meer overwogen dan de standaardformule: 'Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.' Uw Raad oordeelde dat het hof in dit geval, gelet op de aard van de wijziging, zijn oordeel dat sprake was van een misslag nader had behoren te motiveren. Dat gold ook voor het oordeel van het hof dat de -in eerste aanleg noch in hoger beroep verschenen- verdachte door de aangebrachte wijziging niet in zijn verdediging was geschaad. Uit deze overweging kan naar het mij voorkomt worden afgeleid dat de afloop in cassatie mogelijk anders was geweest indien het hof de verbeterde lezing wel had voorzien van een op de concrete zaak toegespitste motivering.
NJ2011/22) waarin het hof in de tenlastelegging een bestanddeel van een verbodsbepaling invoegde, hoewel de tenlastelegging onmiskenbaar op een andere verbodsbepaling was toegesneden. De zaak verschilt naar het mij voorkomt ook van de hiervoor besproken witwaszaak (
NJ2014/490). Daarin was het de onmiskenbare bedoeling van de steller van de tenlastelegging om andere witwasgedragingen ten laste te leggen dan het hof bewezen had verklaard; witwasgedragingen die ook onder een ander onderdeel van de betreffende strafbepaling vielen.
levend of dood(curs. BFK), delen van dieren, uit deze dieren verkregen producten, of andere zaken voor zover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van dieren of daaruit verkregen producten, met uitzondering van eieren’.
producten vanwild (waaronder ook het konijn is begrepen) die kunnen aantonen aan de in die bepaling gestelde eisen te voldoen, is het volgens de steller van het middel in een voorkomend geval voor de verdediging van een verdachte van belang te weten of die verdediging zich zal hebben te richten tegen een verwijt een levend konijn of een dood konijn (product van wild) voorhanden te hebben gehad. Het hof heeft de wijzigingen in de tenlastelegging pas na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, tijdens de beraadslaging, aangebracht. De verdachte en zijn raadsman hebben daarop dus niet kunnen reageren, terwijl het wel in het belang van de verdediging was, gelet op de vrijstellingsbepalingen, dat in een eerder stadium en voorafgaand aan de beraadslaging te doen, aldus de steller van het middel.