Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en de (voorafgaande) gedingen in feitelijke instanties
4.528.970
3.895.854
€ -4.372.783
€ 4.358.027 € 2.895.512
De over te conserveren waarde verschuldigde belasting is het bedrag aan belasting dat verschuldigd zou zijn zonder de in het eerste lid bedoelde vermindering aan te conserveren waarde, na aftrek van de overeenkomstig het eerste lid bepaalde belasting.”
De rechtbankvraagt partijen of, bij toerekening aan beleggings- of ondernemingsvermogen, de schulden ook moeten worden toegerekend aan die bezittingen.
3.Het geding in cassatie
Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur
De ratio van deze regeling, die beoogt de overgang van een onderneming te vergemakkelijken, noopt er niet toe dat de regeling zich mede uitstrekt tot vrije beleggingen. Bovendien kunnen dergelijke beleggingen bij ondernemingen van natuurlijke personen niet tot het ondernemingsvermogen worden gerekend zodat de vraag van een ongelijke behandeling opkomt’ aldus de MvT bij de oude kwijtscheldingsregeling. Naar mijn mening leidt het vorenstaande er toe dat eerst de vraag moet worden beantwoord of de activiteiten die de BV verricht ook een onderneming zouden vormen als de BV een lichaam zou zijn in de zin van art. 2, eerste lid, onderdeel d, Wet VPB 1969. Pas als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet vervolgens worden bepaald met welk vermogen de BV de onderneming drijft.
gedurende een periode van vijf jaar na het overlijden of de schenking (…) de (…) aandelen of winstbewijzen (…) niet worden vervreemd’. In eerste instantie was de bedoeling niet helemaal juist in de wet gecodificeerd. Aan de ene kant waren de beëindigingsgronden te ruim, aan de andere kant te beperkt geformuleerd. De wetgever heeft de kritiek ter harte genomen en inmiddels zijn enige aanpassingen aangebracht in de relevante wettelijke bepalingen en zijn art. 53b, derde lid, onderdelen b en c, SW 1956 en art. 7d Uitv. reg. in overeenstemming gebracht met de hiervoor geciteerde bedoeling van de wetgever. De eisen aan de verkrijger zijn onder te verdelen in eisen aan de aandeelhouder en eisen aan de BV waarin de aandelen worden gehouden.
5.De bedrijfsopvolgingsregeling in de SW tot en met 31 december 2009
6.Beschouwing en beoordeling van het middel
een aan een andere verkrijger opgelegde aanslag, anders dan ingevolge artikel 53,
is verminderd’[cursiveringen toegevoegd, A-G].
prima faciematerieel niet onredelijk. [114]