ECLI:NL:HR:2005:AU7728
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Toetsing vaststellingsovereenkomst waardering optierechten en inhoudingsplicht
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 501.421, met een boete wegens niet-tijdige aangifte. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof Amsterdam. Het Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 310.377.
De kern van het geschil betrof een vaststellingsovereenkomst tussen de werkgever van belanghebbende en de Belastingdienst over de waardering van aan werknemers toegekende optierechten en de inhoudingsplicht. Belanghebbende had deze overeenkomst aanvaard en de waarde van de opties in zijn aangifte verwerkt. Het Hof oordeelde dat de overeenkomst geen vaststellingsovereenkomst was en nietig vanwege afwijking van het wettelijke genietingsmoment.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en stelt dat de overeenkomst wel een vaststellingsovereenkomst is, omdat zij meerdere onderwerpen regelt en strekt ter voorkoming van onzekerheid of geschil. De afwijking van het wettelijke genietingsmoment leidt niet tot nietigheid, omdat geen dwingende wetsbepaling wordt geschonden en de inhoud niet in strijd is met openbare orde of goede zeden.
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond, vernietigt het arrest van het Hof en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep bij het Hof wordt ongegrond verklaard en de vaststellingsovereenkomst is rechtsgeldig.