Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geschil
BNB2011/160 [4] op het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat de heffingsbevoegdheid in het belastingverdrag Nederland-België anders is verdeeld.
3.De prejudiciële vragen
A Overwegingen vooraf
BNB2009/263 [5] stelt de Rechtbank voorop dat, anders dan de Inspecteur heeft betoogd, het feit dat de conserverende aanslag is opgelegd toen belanghebbende nog binnenlands belastingplichtig was, er niet aan afdoet dat evengoed sprake kan zijn van schending van de goede verdragstrouw.
BNB2009/263::
4.Conserverende aanslagen bij emigratie – Nederlandse wetgeving
A Wet IB 1964
BNB2009/263. [16]
BNB2009/263-266 [17] (hierna: de 2009-arresten) werd artikel 3.136 Wet IB 2001 door middel van reparatiewetgeving gewijzigd. [18] Indien de werking van het eerste lid door een regeling ter voorkoming van dubbele belasting wordt verhinderd, maakt het tweede lid mogelijk dat lijfrentepremies alsnog in aanmerking worden genomen. Het derde lid biedt eenzelfde mogelijkheid voor pensioenaanspraken, indien heffing op grond van artikel 3.83, lid 1, Wet IB 2001 door een regeling ter voorkoming van dubbele belasting wordt belemmerd.
IBFD Country Analysesop waarin de Franse regelgeving op dit terrein wordt beschreven: [26]
Jurisprudentie en literatuur over conserverende aanslagen en de goede verdragstrouw
BNB2002/42 (het
Hongarije-arrest) oordeelde de Hoge Raad dat het terugnemen van premieaftrek (vanwege lijfrenteverzekeringen) – die onder (ontbindende) voorwaarden was verleend – niet tot miskenning van doel en strekking van het belastingverdrag Nederland – Hongarije leidde: [30]
BNB2003/380 betrof een belanghebbende die voor zijn werkgever gedurende 5,42 jaren in Nederland werkzaam was en 17,83 jaren buiten Nederland. Voorafgaand aan de beëindiging van de dienstbetrekking heeft hij, destijds woonachtig in
Singapore, verzocht om uitbetaling van een gedeelte van de pensioenaanspraak, gelijk aan het deel dat correspondeerde met de dienstjaren waarin de dienstbetrekking buiten Nederland werd uitgeoefend. Het deel van de pensioenaanspraak dat zag op het in Nederlands uitgeoefende deel van de dienstbetrekking, had een waarde van fl. 200.000. Ter zake van dat bedrag was fl 82.822 aan loonbelasting ingehouden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit in strijd is met de goede verdragstrouw: [31]
BNB2005/233 werd aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of die fictie in strijd kwam met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitlegging en toepassing van het (oude) verdrag met
België. De Hoge Raad oordeelde als volgt: [32]
BNB2009/263 betrof de heffing over tot het tijdstip van emigratie opgebouwde pensioenaanspraken die als loon in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.83, lid 1, in verbinding met artikel 3.146, lid 3, Wet IB 2001 (wettekst geldend tot 29 juni 2009), bij emigratie naar
Frankrijk. Het opleggen van een conserverende aanslag in die gevallen werd door de Hoge Raad in strijd met de goede verdragstrouw bevonden: [33]
BNB2009/264 en haar echtgenoot hadden hun onderneming (VOF) in een BV ingebracht en daarbij van die BV een lijfrente bedongen. In 1996 verhuisde de belanghebbende naar
Belgiëen in 2002 is de lijfrenteverplichting afgekocht. De inspecteur heeft het belastbare inkomen over 2002 gecorrigeerd door daarbij negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, in verband met de afkoop van de lijfrente, op te tellen. De Hoge Raad oordeelde dat de Nederlandse regelgeving op dit punt in strijd met het verdrag was: [36]
BNB2011/160 betrof wederom het verdrag Nederland-
België. Aan de belanghebbende is in het jaar van emigratie (2003) een conserverende aanslag opgelegd die betrekking had op de waarde in het economisch verkeer van de tot het tijdstip van emigratie opgebouwde pensioenaanspraken. Anders dan in het geldende verdrag in het jaar waarop HR
BNB2009/264 (zie 6.5) betrekking heeft, zijn in het belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001 uitzonderingen opgenomen op het uitgangspunt dat de woonstaat ter zake van pensioen en andere soortgelijke beloningen heffingsbevoegd is. Het opleggen van de conserverende aanslag werd door de Hoge Raad niet in strijd met de goede verdragstrouw bevonden: [37]
BNB2003/380 dat hij geen grondslag zag voor heffing door Nederland over een fictieve pensioenafkoop in het verdrag Nederland-Singapore: [41]
BNB1987/207 (verdrag met Finland 1970) en HR
BNB1992/21 (verdrag met Ierland 1969); A-G] wordt voor de verdragstoepassing het oudedagsverzorgingskarakter van de aanspraak niet gewijzigd door een (werkelijke) afkoop, ook niet als afgekocht wordt op een moment waarop het pensioen nog niet is ingegaan. Ik meen dat dan het nationaalrechtelijk als "loon uit vroegere dienstbetrekking" "aanmerken" van de waarde van een pensioenaanspraak, op grond van handelingen die ik maar samenvat als fictieve afkoop, voor de verdragstoepassing evenmin wegneemt dat het om een aanspraak blijft gaan die strekt tot oudedagsverzorging. Voor zover de fiscus betoogt dat de handelingen ex art. 11c Wet LB bewerkstelligen dat het oudedagsverzorgingskarakter (geheel) verdwijnt voor verdragstoepassing, is dat betoog onjuist want onverenigbaar met de (…) [hierboven genoemde; A-G] jurisprudentie en onverenigbaar met het gegeven dat de aanspraak die belast wordt, een pensioenaanspraak is, en niet een met heffingsrente opgerente navordering over destijds betaalde en vrijgestelde premies. Dat het fictieve inkomen nationaalrechtelijk als "loon" wordt bestempeld, zegt in dit verband niets, want ook pensioen is loon, nl. uit vroegere dienstbetrekking, en als zodanig is het fictieve inkomen ex art. 11c Wet LB door de wetgever ook aangemerkt (…). Art. 11c Wet LB neemt niet weg dat de aanspraak die belast wordt, een pensioenaanspraak is (tenzij men meent dat fictief inkomen slechts een fictief karakter heeft, zodat het hoe dan ook onder art. 21 (restartikel) van het Verdrag terecht komt). Dat betekent dat een fictieve pensioenafkoop in beginsel onder de "soortgelijke beloningen" van art. 18, lid 1, van het Verdrag gebracht moet worden. Zulks is echter niet mogelijk, gezien (i) het ontbreken van een "betaling" en (ii) de context van de toewijzingsbepalingen van het verdrag (…). Dat een kwalificatie onder art. 18 niet Pro mogelijk is, betoogt in casu overigens ook de fiscus, vermoedelijk om vervolgens met behulp van uw "sluitende" stelsel voor arbeidsinkomsten (zie 4.2 hierboven) onder art. 15 te Pro komen. Ik meen echter dat het sluitende stelsel geen fictief inkomen insluit. Ik merk overigens op dat "strekking tot oudedagsverzorging" of iets van dien aard niet voorkomt in de definitie van "pensioen" in art. 18, lid 3, van het Verdrag, zodat het al dan niet ontbreken van een verzorgingsstrekking wellicht niet eens ter zake doet.
BNB2005/233 (zie onderdeel 6.3) over HR
BNB2003/379 en 381 (zie hierna in onderdeel 7.2): [42]
Vakstudie Nieuwsgaf in haar aantekening bij HR
BNB2009/263 (zie 6.4) aan waar zij ruimte zag voor aanpassing van de wet, zonder dat dit in strijd met de goede verdragstrouw zou komen: [44]
Kavelaarsde twee lijfrente-arresten (het Hongarije-arrest en het 2009-arrest over het verdrag met België) naast elkaar gelegd: [47]
BNB2011/160 (zie onderdeel 6.6) afgeleid dat de Hoge Raad de thans in het geding zijnde reparatiewetgeving destijds al van tafel heeft geveegd: [55]
NTFR-B2009/29, p. 13 e.v., zie 6.15; A-G] heb ik aangegeven dat gelet op de motivering in die arresten voor de vormgeving van die wetgeving wel wat is te zeggen. Niettemin kan daarmee praktisch toch nog steeds een resultaat ontstaan dat afwijkt van hetgeen met het verdrag wordt beoogd met betrekking tot de verdeling van de heffingsbevoegdheid ter zake van pensioenen. Kemmeren en Pötgens/Kappelle [zie
WFR2009/881, geciteerd in 6.22 en
WFR2010/74, geciteerd in 6.17; A-G] hebben zich in beduidend sterkere bewoordingen uitgesproken over de vormgeving van de reparatiewetgeving. Zij oordelen dat de Nederlandse systematiek ook na de wetswijziging nog steeds in strijd is met de goede verdragstrouw. Bezien we het 15-april-arrest dan lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de wetswijziging inderdaad niet het beoogde effect heeft. Nederland blijft in de (door-)emigratiegevallen bedoeld in art. 3.83 en art. 3.136 Wet IB 2001 heffingsbevoegd via een conserverende aanslag. Deze wordt ingevorderd indien zich een ‘oneigenlijke handeling’ voordoet waardoor het uitstel van betaling wordt beëindigd. Daarmee wordt de hele conserverende aanslag in principe invorderbaar, terwijl uit het onderhavige arrest moet worden afgeleid dat dit alleen is toegestaan indien op dat tijdstip Nederland verdragsrechtelijk heffingsbevoegd is. Het spreekt voor zich dat ingevolge dit arrest (a) een onderscheid tussen oude en nieuwe verdragen niet relevant is en bovendien dat (b) als de heffingsbevoegdheid niet aan Nederland toekomt, dit de hele waarde van het pensioen betreft en niet relevant is of het hier ‘slechts’ om de fiscaal gefacilieerde premies gaat, dan wel tevens om het rendement. Voor de toepassing van het verdragspensioenartikel wordt immers een dergelijk onderscheid ook niet gemaakt. Het komt mij derhalve voor dat met het 15-april-arrest kan worden aangenomen dat de wetswijziging is achterhaald, in die zin dat daar geen betekenis aan toekomt. De risico’s die de wetgever indertijd zag – met name afkoop van pensioen – zijn er, althans met name onder oude verdragen, nog volop. Dat er vervolgens op 15 april 2011 geen persbericht is verschenen met een direct inwerking tredende wetwijziging is begrijpelijk. In de nu door de Hoge Raad geformuleerde benadering is geen aanpassing in de nationale wetgeving mogelijk die het door de wetgever beoogde effect kan realiseren. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat de wetgever de reikwijdte van het 15-aprilarrest minder vergaand uitlegt dan ik dat hiervoor heb gedaan.
Albertover de vormgeving van die toen nog toekomstige reparatiewetgeving: [57]
BNB2011/160 (zie 6.6) af dat een conserverende aanslag – opgelegd ná invoering van de reparatiewetgeving – niet mag worden ingevorderd: [65]
7.Goede verdragstrouw
A Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht
BNB2003/379 lag aan de Hoge Raad de vraag voor of de eenzijdige posterieure wijziging van de nationale wetgeving (invoering gebruikelijk loonfictie van artikel 12a Wet op de loonbelasting 1969) in strijd kwam met de goede verdragstrouw. De Hoge Raad oordeelde dat de wijziging potentieel een verschuiving van heffingsbevoegdheid teweegbracht en sprake was van strijd met de goede verdragstrouw: [72] , [73]
BNB2009/260) oordeelde de Hoge Raad dat niet in strijd met de goede trouw was de regeling van heffing over de waardestijging van een tot aanmerkelijk belang behorend aandelenpakket: [74]
BNB2017/34 betrof wederom de vraag of de gebruikelijk-loonfictie van artikel 12a Wet op de loonbelasting 1969 in strijd kwam met de goede verdragstrouw, ditmaal in relatie tot het verdrag met
Portugal. De Hoge Raad beantwoordde die vraag bevestigend: [75]
8.EU-recht
BNB2011/160 (zie onderdeel 6.6) oordeelde de Hoge Raad dat Nederland niet in strijd met de goede verdragstrouw handelde door een conserverende aanslag op te leggen. De Hoge Raad kwam derhalve toe aan de vraag of sprake was van strijd met het Unierecht:
9.Beschouwing
A De prejudiciële procedure
BNB2011/160. [80] Onder het nieuwe verdrag Nederland-België mocht wél een conserverende aanslag worden opgelegd, omdat in dat verdrag uitzonderingen zijn opgenomen op de hoofdregel dat de woonstaat over het pensioen mag heffen. Strijdigheid met de goede trouw kon wel optreden bij de invordering van de aanslag. In het Verdrag Nederland-Frankrijk wijst zowel artikel 18 als Pro artikel 22 de Pro heffingsbevoegdheid exclusief toe aan de woonstaat. De conserverende aanslag zal dus moeten worden getoetst aan de goede verdragstrouw. [81]
BNB2009/264 [84] las de medewetgever de aanwijzing dat heffing naar de bedragen waarover bij de verwerving van de pensioen- of lijfrenteaanspraak een belastingvoordeel is genoten, wél houdbaar zou zijn. [85] Hij noemt dit zelfs een “vingerwijzing voor de wetgever”. [86]
BNB2011/160 – waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat Nederland ter gelegenheid van emigratie van een belastingplichtige heft over een voordeel dat potentieel ter heffing is toegewezen aan België – kon aan de invloed van de goede verdragstrouw niet afdoen dat België ten tijde van de totstandkoming daarvan op de hoogte was van de (destijds: voorgenomen) regeling, noch dat het verdrag van kracht is geworden nadat de regeling in werking is getreden. [90]
BNB2009/264 heeft de Hoge Raad overwogen dat – terwijl hij een regeling in strijd met het restartikel van het verdrag Nederland-België achtte – de “enkele omstandigheid dat de andere verdragsluitende staat de mogelijkheden tot heffing in zijn nationale wetgeving eenzijdig op een vergelijkbare wijze heeft uitgebreid, (…) niet mee [brengt; A-G] dat die staat de exclusieve bevoegdheid tot belastingheffing over dergelijke inkomsten van zijn inwoners, zoals die bij het Verdrag is overeengekomen, heeft willen prijsgeven”. [92] Evenmin nam die omstandigheid de strijdigheid van de regeling met het verdrag weg.
BNB2009/264 – waarbij ook de andere verdragsstaat posterieur zijn heffingsbevoegdheid op gelijke wijze heeft uitgebreid – is niet sprake. Mij is ook niet gebleken dat Frankrijk die bevoegdheid al in zijn nationale wetgeving had opgenomen voorafgaand aan het sluiten van het Verdrag. [93]
BNB2009/264 kan een verdragsbepaling niet worden uitgehold of ontgaan door het opnemen van een regeling in de nationale wetgeving op grond waarvan (een gedeelte van) de waarde van de lijfrenteaanspraak tot het inkomen wordt gerekend op het moment dat onmiddellijk aan de afkoop voorafgaat. [105] De Hoge Raad achtte de regeling in strijd met het restartikel van het verdrag Nederland-België, op grond waarvan de woonstaat de exclusieve heffingsbevoegdheid had.
BNB2003/379 (fictief loon-arrest) dat geen sprake was van inkomsten waarop het restartikel van toepassing was, omdat de fictie van artikel 12a Wet LB 1964 geen inkomsten tevoorschijn doet komen die vatbaar zijn voor belastingheffing door de woonstaat. [106]
BNB2003/379 laat artikel 3, § 2 van het (oude) verdrag Nederland-België, dat gelijk is aan de bepaling in het Verdrag Nederland-Frankrijk, ruimte om inkomsten te belasten volgens de Nederlandse wettelijke bepalingen met betrekking tot het tijdstip waarop inkomsten in aanmerking worden genomen.
BNB2011/160 dat de in artikel 3.83, lid 1, en 3.146, lid 3, Wet IB 2001 opgenomen regeling een beperking vormt van het vrije verkeer binnen de EU. [115] Die beperking dient een doel van algemeen belang en de verwezenlijking van dat doel kan met die bepaling worden gewaarborgd.
BNB2011/160 heeft overwogen, acht ik van overeenkomstige toepassing op het onderhavige geval. Ik zie geen aanleiding om het opleggen van een conserverende aanslag in strijd met het Unierecht te achten.
BNB2003/380 kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat afkoopsommen aangemerkt moeten worden als een andere beloning soortgelijk aan pensioen in de zin van artikel 18 verdrag Pro Nederland-Singapore (pensioenartikel). Heffing over uitkeringen en afkoopsommen is de exclusieve bevoegdheid van de woonstaat. [129] Bezien moet worden of het belasten van aanspraken en bijdragen die in het verleden tot het vrijgesteld loon zijn gerekend, naar hun aard onder artikel 18 Verdrag Pro vallen en derhalve aan de woonstaat zijn toegewezen.
BNB2009/263 overwoog de Hoge Raad dat het Verdrag Nederland-Frankrijk “[t]en aanzien van (aanspraken op) pensioen (…) twee toewijzingsregels [bevat] die achtereenvolgens voor toepassing in aanmerking kunnen komen en elkaar wederzijds uitsluiten, namelijk de artikelen 15 en 18.” [131] Ik leid hieruit af dat pensioen in grensoverschrijdende situaties zowel in de opbouw- als de uitkeringsfase binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt.
BNB2005/233 in strijd met artikel 18 van Pro het (oude) verdrag Nederland-België. [132]
BNB2011/160 is wederom een exitheffing ter zake van pensioen voorgelegd aan de Hoge Raad. In het nieuwe verdrag Nederland-België zijn uitzonderingen opgenomen op de hoofdregel dat de woonstaat heffingsbevoegd is ter zake van pensioenen en andere soortgelijke beloningen. Daardoor is op het moment van emigratie niet (altijd) te voorzien welk land bevoegd is om te heffen. De Hoge Raad oordeelde toen: “Wel hebben de in 4.4.1 bedoelde wettelijke voorschriften [artikel 3.83, lid 1 en 3.146, lid 3, Wet IB 2001; A-G] ook onder een bepaling als artikel 18 van Pro het Verdrag tot gevolg dat ter gelegenheid van de emigratie van een belastingplichtige door Nederland wordt geheven over een voordeel dat potentieel ter heffing is toegewezen aan de nieuwe woonstaat.” [137] De goede verdragstrouw belette echter niet dat Nederland – wegens emigratie van de belanghebbende naar België – een conserverende aanslag oplegde. De regeling zou wél in strijd met de goede trouw komen op het moment dat Nederland tot invordering zou overgaan in een geval waarin de heffingsbevoegdheid aan België toekomt. [138]
BNB2005/233 mag een fictie niet bewerkstelligen dat de belastingheffing wegens na die toekenning optredende gebeurtenissen aan de werking van artikel 18 van Pro het Verdrag wordt onttrokken. [147] Door een beperkte uitleg te geven aan “verkregen door” (artikel 15 Verdrag Pro) en “betaald aan” (artikel 18 Verdrag Pro) zou een fictieve heffing onder geen van beide artikelen vallen. Met A-G Wattel ben ik van mening dat uit HR
BNB2003/379 en 381 [148] moet worden afgeleid dat moet worden beoordeeld aan welke Staat heffing zou zijn toegewezen indien het inkomensbestanddeel daadwerkelijk zou zijn verkregen/betaald. [149] De aard van de inkomsten is beslissend.