ECLI:NL:PHR:2005:AR1683
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat Nederlandse heffing pensioenwaarde bij zetelverplaatsing naar België in strijd is met belastingverdrag
Deze zaak betreft de vraag of de Nederlandse heffing over de waarde van een pensioenaanspraak, ingevolge artikel 11c, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964, verenigbaar is met het belastingverdrag tussen Nederland en België uit 1970.
De belanghebbende, woonachtig in België, was directeur en aandeelhouder van een Nederlandse pensioen-BV die haar feitelijke leiding naar België verplaatste. De inspecteur legde belasting op over de waarde van de pensioenaanspraak, terwijl het hof oordeelde dat het belastingverdrag deze heffing uitsluit en het exclusieve heffingsrecht aan België toekomt.
De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse wetgeving die fictief loon toerekent bij zetelverplaatsing eenzijdig het belastingverdrag wijzigt en leidt tot dubbele heffing. De fictieve inkomsten vallen onder het pensioenartikel van het verdrag, dat het heffingsrecht exclusief aan de woonstaat toewijst. Er is geen sprake van verdragsmisbruik. Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; de Nederlandse heffing over de pensioenaanspraak is in strijd met het belastingverdrag en mag niet worden toegepast.