ECLI:NL:RBZWB:2017:1464
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over conserverende aanslag bij emigratie en goede verdragstrouw
Belanghebbende, die in 1997 een lijfrenteovereenkomst sloot en tot 2009 pensioenrechten opbouwde, emigreerde in 2014 naar Frankrijk. De inspecteur legde een conserverende aanslag en een beschikking revisierente op in verband met deze emigratie. Belanghebbende betwist de rechtmatigheid van deze aanslag en stelt dat deze in strijd is met de goede verdragstrouw volgens het belastingverdrag Nederland-Frankrijk.
De rechtbank analyseerde de nationale wetgeving, waaronder de Wet IB 2001 en de reparatiewetgeving uit 2009, en de jurisprudentie van de Hoge Raad, met name de arresten uit 2001, 2009 en 2011. De kernvraag betreft de toepassing van de conserverende aanslag op pensioenen en lijfrentes bij emigratie en of deze aanslag strijdig is met het verdrag, mede gezien de goede trouw die bij verdragsinterpretatie in acht moet worden genomen.
De rechtbank constateert dat de wetgever reparatiewetgeving heeft ingevoerd die beoogt de strijdigheid met de goede verdragstrouw te verhelpen, maar dat hierover in de literatuur en jurisprudentie discussie bestaat. Gezien de complexiteit en het belang van de kwestie, en het feit dat partijen instemmen, besluit de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen over de verenigbaarheid van de conserverende aanslag met het belastingverdrag Nederland-Frankrijk.
De rechtbank houdt de verdere beslissing aan totdat de Hoge Raad uitspraak doet over deze prejudiciële vragen.
Uitkomst: De rechtbank legt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor en houdt de beslissing aan.