Conclusie
van de hem opgelegde vrijheidsstraf voor de feiten zoals vermeld in de bijlage”. De bijlage betreft een “
Report (on crimes for which the citizen [de opgeëiste persoon] is sentenced)” gedateerd 29 april 2016, en afkomstig van de “
Prosecutor’s Office at the First Instance Court for Serious Crime Tiranë”. De rechtbank heeft de feiten naar Nederlands recht gekwalificeerd als “
moord” en “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”. Ik versta de beslissing van de rechtbank aldus dat zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard ter fine van de tenuitvoerlegging van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis van de College of Appeal Court for Serious Crime Tirana gedateerd 29 juni 2015 waarbij [de opgeëiste persoon] is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens gekwalificeerde doodslag op een politiefunctionaris, te weten [slachtoffer], en verboden wapenbezit.
eerste middelbehelst de klacht dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard niettegenstaande het ter zitting gevoerde verweer dat de opgeëiste persoon niet in de gelegenheid is geweest om (zelf) zijn verdediging te voeren bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep door de Appeal Court for Serious Crime.
The Netherlands Government reserves the right not to grant extradition requested for the purpose of executing a judgment pronounced by default against which no remedy remains open, if such extradition might have the effect of subjecting the person claimed to a penalty without his having been enabled to exercise the rights of defence prescribed in Article 6(3)c of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms signed at Rome on 4 November 1950.” [1]
1. Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van:
Appeal Court, waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is hij niet aanwezig geweest.
the Appeal Courtniet voldoet aan de eisen van artikelen 5, lid 3, van de ULW en 6 van het EVRM, omdat sprake is van een veroordeling bij verstek en de advocaten in hoger beroep niet door de opgeëiste persoon, maar door zijn zoon waren gemachtigd. Ook blijkt niet of en hoe de oproeping voor de procedure in hoger beroep de opgeëiste persoon heeft bereikt.
Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: (...)
First Instance Serious Crimes Courtblijkt dat:
the Appeal Courtblijkt:
according to the declaration of the defendant in court hearing date 27/05/2015’, zijnde de eerste procesdag bij
the Appeal Court. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon de advocaten zelf heeft gemachtigd en dat deze machtiging zich (mede) uitstrekte tot de procedure in hoger beroep. Deze conclusie vindt nog steun in de omstandigheid dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg door dezelfde advocaten is vertegenwoordigd en dat in de aanvullende brief van 20 juli 2016 ten aanzien van het Appeal Court staat vermeld dat ‘
the trial was carried out in presence of the defence lawyers chosen by the defendant’;
the Appeal Courtdat de gemachtigde advocaten ook zelf namens de opgeëiste persoon beroep (
antagonist appeal)hebben ingesteld bij het
Appeal Court,
Appeal Courtgelet op het bovenstaande niet een bij verstek gewezen vonnis ten aanzien waarvan gezegd kan worden dat ‘
bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen’.
the Supreme Courtloopt waar de opgeëiste persoon eventuele gebreken ten aanzien van zijn verdedigingsrechten aan de orde zou kunnen stellen.
die wordt vrijgesproken terwijl het Openbaar Ministerie die vrijspraak niet had gevorderd, ermee rekening dient te houden dat het Openbaar Ministerie zich niet bij die vrijspraak zal neerleggen, en dat het in zo'n geval op de weg van de verdachte ligt zelf enige activiteit te ontplooien om te achterhalen of het Openbaar Ministerie een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de vrijspraak”. [2]
tweede middelklaagt dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard niettegenstaande “
een voltooide schending van artikel 3 EVRM Pro” die eruit bestaat dat de uitlevering is gevraagd tot tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf, terwijl de rechtbank afwijzend heeft beslist op een verzoek om aanhouding teneinde bij de Albanese autoriteiten nadere informatie op te vragen met betrekking tot – kort gezegd – de wijze waarop de levenslange gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd, met inbegrip van de mogelijkheid van vervroegde invrijheidsstelling.
dreigende schendingvan artikel 3 EVRM Pro verworpen en daarbij overwogen dat de beoordeling van het beroep niet valt binnen de door de rechtbank te beoordelen toelaatbaarheid van de uitlevering en dat de bevoegdheid om daarover te oordelen “
dus ook over het mogelijk vragen van de door de raadsman gewenste nadere informatie of garanties, ligt bij de Minister van Veiligheid en Justitie.”
reeds voltooide schendingvan artikel 3 EVRM Pro. Dit verweer is niet bij de rechtbank gevoerd, zodat dit niet met succes voor het eerst in cassatie kan worden voorgedragen.