(i) Blijkens een akte van uitreiking is de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 oktober 2014 op 11 september 2014 uitgereikt aan [betrokkene 1] (een huisgenoot van de verdachte), die zich op het (toenmalige) GBA-adres‘ [a-straat 1] te [plaats] ’ van de verdachte bevond;
(ii) De inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, heeft op 17 oktober 2014 plaatsgevonden. De verdachte was niet ter terechtzitting verschenen en tegen hem is verstek verleend. De kantonrechter heeft op diezelfde datum mondeling vonnis gewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld;
(iii) Blijkens een akte van uitreiking is een mededeling uitspraak van het vonnis van de kantonrechter van 17 oktober 2014 op 17 november 2014 uitgereikt aan [betrokkene 1] (een huisgenoot van de verdachte) op het (toenmalige) GBA-adres van de verdachte ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’;
(iv) Een door de griffier opgemaakte ‘Akte instellen hoger beroep’, inhoudende dat op 25 november 2014 [betrokkene 2] , ambtenaar bij de griffie van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, ter griffie van die rechtbank is gekomen en, daartoe blijkens een bijzondere volmacht van een advocaat schriftelijk gemachtigd, namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 17 oktober 2014;
(v) Een schrijven ondertekend door mw. mr. S.H.J. Raessens, advocaat te Helmond, gericht aan de rechtbank Limburg, gedateerd 8 december 2014, inhoudende:
“Geachte heer, mevrouw,
Bijgaand treft u het grievenformulier in opgemelde zaak. Ik verwijs u naar de inhoud hiervan.”
Aan dit schrijven is als bijlage bevestigd een "Grievenformulier Hoger Beroep." Het schrijven is blijkens een daarop geplaatst stempel op 11 december 2014 bij de centrale balie van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, ingekomen en vervolgens doorgestuurd naar het hof te ’s‑Hertogenbosch. Bedoeld schrijven is aldaar op 16 december 2014 binnengekomen. Het als bijlage opgenomen grievenformulier staat op naam van de verdachte en vermeldt als adres van de verdachte ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’. Op het formulier is aangekruist dat de verdachte onder meer om de volgende redenen in hoger beroep komt: ‘niet op de hoogte van datum’, ‘onschuldig, niet bestuurder voertuig’ en voorts ‘grote gevolgen voor eigen onderneming door OBM’. Onder de kop ‘andere opmerkingen’ is nog vermeld: ‘nadere toelichting van cliënt kan worden gegeven na ontvangst dossier. Aangevraagd op 24 november 2014, tot op heden niet ontvangen’. Uit de handtekening onderaan dit formulier kan worden afgeleid dat het formulier op 8 december 2014 is ingevuld en ondertekend door mr. S.H.J. Raessens;
(vi) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2015 te 10.00 uur is op 24 augustus 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, aangezien van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Voorts is de appeldagvaarding op 27 augustus 2015 tevergeefs aangeboden op het laatst bekende GBA-adres van verdachte ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’ en vervolgens op 3 september 2015 nogmaals uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Bovendien is op 3 september 2015 een afschrift van de appeldagvaarding verzonden naar voornoemd adres in [plaats] ;
(vii) De aan de dagvaarding in hoger beroep gehechte ID-staten SKDB betreffende de verdachte van 24 augustus 2015 en 3 september 2015 houden in dat de verdachte niet is gedetineerd, dat hij met ingang van 20 juni 2015 niet stond ingeschreven in de GBA (“Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)”), vanaf 6 november 2009 tot 18 maart 2015 in de GBA stond ingeschreven op het adres ‘ [a-straat 1] te [plaats] ’, en dat hij vanaf 18 maart 2015 tot 20 juni 2015 niet stond ingeschreven in de GBA (‘adres: Onbekend’);
(viii) De verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2015. Het hof heeft verstek verleend tegen de verdachte en na de behandeling van de zaak heeft het hof het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan;
(ix) Een brief van mr. L. van Poucke aan de strafgriffie van het hof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2016, ingekomen ter strafgriffie van het hof op 21 januari 2016, die de mededeling inhoudt dat de verdachte zich tot haar heeft gewend en dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter van 17 oktober 2014. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om toezending van een kopie van het procesdossier van de zaak. Op deze brief is met pen bijgeschreven ’10-2 stukken verzonden’;
(x) Een brief d.d. 10 februari 2016 van de griffier van het hof 's-Hertogenbosch gericht aan mr. L. van Poucke, waaruit blijkt dat een kopie van de gevraagde stukken in de strafzaak tegen de verdachte naar de raadsvrouw is opgestuurd;
(xi) De mededeling uitspraak is op 25 november 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Blijkens een proces-verbaal (van betekening vonnis in persoon) van 17 maart 2016 opgemaakt door verbalisant [verbalisant] is op die datum aan de verdachte in persoon medegedeeld dat hij 25 september 2015 bij arrest van het hof is veroordeeld;
(xii) Een door de griffier opgemaakte ‘Akte cassatie’, inhoudende dat op 12 februari 2016 [betrokkene 3] , administratief ambtenaar bij de griffie van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, ter griffie van dat hof is gekomen en, daartoe blijkens een bijzondere volmacht van een advocaat schriftelijk gemachtigd, namens de verdachte cassatieberoep heeft ingesteld tegen het arrest van 25 september 2015.