Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5 september 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of uit het indienen van een verzetschrift tegen een strafbeschikking door een advocaat kon worden afgeleid dat deze advocaat tevens als raadsman optrad bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg, zodat op grond van art. 51 (oud) Sv een afschrift van de dagvaarding aan deze advocaat had moeten worden verzonden.
De verdachte had verzet ingesteld tegen een strafbeschikking via een advocaat die daartoe bepaaldelijk was gemachtigd. De verdediging stelde dat hierdoor de advocaat als raadsman moest worden beschouwd en dat het niet verzenden van een afschrift van de dagvaarding aan hem een schending van art. 51 Sv Pro opleverde, wat zou leiden tot nietigheid van het vonnis van de politierechter.
Het hof oordeelde dat het verzetschrift niet automatisch betekende dat de advocaat als raadsman bij de terechtzitting optrad, mede omdat geen zogenoemd stelbriefje was ingediend en er geen ander stuk in het dossier was waaruit rechtsbijstand kon worden afgeleid. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het indienen van een verzetschrift op grond van art. 257e Sv niet gelijkstaat aan het optreden als raadsman bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg.
De Hoge Raad wijst op de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie, waarin is bepaald dat voor het erkennen van een raadsman een schriftelijke kennisgeving of een ander stuk vereist is waaruit blijkt dat de verdachte rechtsbijstand heeft. Het beroep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn geen rechtsgevolg aan deze overschrijding wordt verbonden gezien de aard van de opgelegde straf.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof oordeelde terecht dat het verzetschrift niet automatisch rechtsbijstand impliceert en art. 51 Sv niet is geschonden.