Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
] wordt nogmaals verzocht de behandeling over te dragen aan een andere rechtbank. Zonder nader tegenbericht wordt er vanuit gegaan dat de zitting morgen geen doorgang zal vinden.”
- i) voor het verzoek tot overdracht van het verzoek aan een andere rechtbank bestaat geen aanleiding en ontbreekt een wettelijke grondslag (rov. 3.1);
- ii) er is geen aanleiding om de behandeling van het verzoek ter zitting van 20 december 2016 (opnieuw) aan te houden (rov. 3.1);
- iii) de eenzijdige aanname van mr. Tekstra dat zonder nadere berichtgeving van de zijde van de rechtbank de zitting van 20 december 2016 niet door zou gaan, laat de rechtbank voor rekening en risico van mr. Tekstra (rov. 3.1);
- iv) [eiser] is niet aan te merken als schuldeiser van [A] in de zin van art. 73 Fw Pro (rov. 3.3);
- v) [eiser] zou in beginsel ontvankelijk kunnen zijn in zijn verzoek in zijn hoedanigheid van indirect bestuurder van [A], maar hij is dit niettemin niet, nu niet is aangetoond dat [A] een eigen belang heeft bij het verzoek (rov. 3.4);
- vi) ook bij een verdere inhoudelijke beoordeling zouden de door [eiser] aangevoerde verwijten onvoldoende reden vormen voor ontslag van de curator (rov. 3.5).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
- a) het niet reageren op de brief van [eiser] van 14 november 2016, waarin wordt verzocht om aanhouding van de procedure tot ontslag van de curator ex art. 73 Fw Pro, totdat is beslist op een bij INSOLAD in te dienen klacht (onder 1.1);
- b) het niet reageren op de brief van [eiser] van 6 december 2016, waarin is verzocht om doorverwijzing van het verzoek naar en behandeling door een andere rechtbank (onder 1.1);
- c) het niet reageren op de brief van [eiser] van 19 december 2016, waarin het eerdere verzoek van 6 december 2016 is herhaald en uitgebouwd (onder 1.1);
- d) het doorgang laten vinden van de zitting op 20 december 2016, wat er mede voor heeft gezorgd dat de rechtbank, onder meer in 3.1, op onjuiste gronden tot haar beslissing is gekomen (onder 1.2);
- e) het niet doorzenden aan [eiser] van de reactie van de rechter-commissaris van 14 november 2016 (onder 1.3);
- f) het niet onderkennen van een wrakingsverzoek in de brieven van 6 en 19 december 2016 (onder 1.4 en 1.5).
www.rijksoverheid.nlhet volgende te lezen:
www.rijksoverheid.nl. Daarin staat het volgende:
door wieverzoeken in behandeling zijn genomen, worden vaker gehoord.
wievanuit het gerecht berichten leest en beantwoordt: is dat de zaaksrechter, een regierechter of medewerkers die een ondersteunend regiebureau bemensen, of is het de administratie (griffie). Een tweede vraag is
welke berichten beantwoording behoeven en zullen krijgen. Een derde vraag is of er richtlijnen gaan gelden voor de
termijnwaarbinnen berichten moeten worden beantwoord. Overigens zal het berichtenverkeer, voor zover digitaal wordt geprocedeerd (voor particulieren zonder advocaat is dat geen verplichting), grotendeels verlopen via ‘mijn rechtspraak’. In deze digitale omgeving kunnen zowel door procespartijen als door het gerecht berichten worden geplaatst, waarna daarvan via de e-mail een melding (notificatie) wordt ontvangen. Uit het Landelijk Procesreglement civiele zaken rechtbanken en gerechtshoven KEI september 2017 (Lpr KEI) blijkt dat indien digitaal wordt geprocedeerd, tal van verzoeken die thans per brief worden gedaan, onder KEI via ‘mijn rechtspraak’ moeten worden ingediend. Dat volgt uit de in art. 1.2 sub v Lpr KEI gegeven definitie van het begrip ‘schriftelijk bericht’: “
indien langs de elektronische weg wordt geprocedeerd, een bericht via Mijn Rechtspraak of het Aansluitpunt Rechtspraak of, indien op papier wordt geprocedeerd, een mededeling bij brief aan het gerecht of tussen het gerecht en een of meer partijen.”Op tal van plaatsen in het Lpr KEI is voorgeschreven dat verzoeken (bijvoorbeeld tot aanhouding van de mondelinge behandeling) ‘bij schriftelijk bericht’ moeten geschieden.
Zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen vijf werkdagen na het verrichten van een proceshandeling neemt de rechter een regiebeslissing.”
proceshandeling, binnen vijf werkdagen na die proceshandeling een rechterlijke beslissing over de voortgang van de procedure moet worden genomen. Voor beslissingen op andere verzoeken geldt deze termijn niet. Ten slotte is nog te wijzen op art. 1.5 Lpr KEI, waarin onder meer is bepaald dat indien op papier wordt geprocedeerd, het gerecht, indien de indiener hierom vraagt, schriftelijk bericht geeft van de ontvangst van ingediende processtukken en berichten.
zonder nader tegenbericht […] er vanuit wordt gegaan dat de zitting morgen geen doorgang vindt’, lees ik namelijk niet als een verzoek tot aanhouding of uitstel van de mondelinge behandeling. Aan deze mededeling wordt immers slechts ten grondslag gelegd dat de zaak in de visie van [eiser] naar een andere rechtbank moet worden overgedragen. Dat argument heeft niet betrekking op het niet aanwezig
kunnenzijn ter zitting (wegens plotseling opkomende omstandigheden), maar op het niet aanwezig
willenzijn; [eiser] was van mening dat een andere rechtbank het verzoek diende te behandelen. Gelet hierop is geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor (of enig ander fundamenteel rechtsbeginsel) door de zitting alsnog doorgang te laten vinden. In zoverre faalt de klacht.
- het verzoek om ontslag van de curator is door de rechtbank niet op adequate wijze in behandeling genomen;
- de rechtbank heeft [eiser] geen afschriften verstrekt van de door/namens de curator ingediende stukken naar aanleiding van het verzoek, waaronder de reactie van 26 september 2016;
- de rechtbank heeft in eerdere door [eiser] ingediende verzoeken in andere kwesties evenmin adequaat gehandeld als gevolg waarvan [eiser] benadeeld is;
- de behandeling die [eiser] ten deel is gevallen tijdens de behandeling van de akkoordzitting op 5 oktober 2016 waarin de rechter-commissaris hem betichtte van het manipuleren van crediteuren;
- er zijn eerdere, [eiser] onwelgevallige, uitspraken door de rechtbank gedaan.
Ten onrechte is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard als schuldeiser in r.o. 3.3 en ten onrechte neemt de rechtbank aan dat verzoeker onvoldoende informatie aan curatoren zou verstrekken (r.o. 3.5)”), niet van enige verdere toelichting is voorzien. Ik lees hierin dan ook geen zelfstandige klachten. Ook de curator heeft daarin geen zelfstandige klachten gelezen, zo blijkt uit het verweerschrift.