Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de verzoeken van de verdediging tot benoeming van een (rechtspsychologische) deskundige teneinde onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte, gelet op hetgeen aan die verzoeken ten grondslag is gelegd, ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
(i) Bij tijdig ingediende appelschriftuur van 27 februari 2014 heeft de raadsman van de verdachte verzocht een deskundige te benoemen voor het verrichten van nader onderzoek naar de bewijswaarde van de (eerste) verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd. [1] Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de raadsman aangevoerd dat onderzocht dient te worden wat de invloed is geweest van de psychische problematiek van de verdachte op zijn bij de politie afgelegde verklaringen. Bij de beoordeling daarvan dient het handelen van de verbalisanten te worden betrokken, aldus de raadsman.
(ii) In reactie op dit verzoek heeft de advocaat-generaal bij het hof bij brief van 16 juli 2014, gericht aan de raadsman, verwezen naar de bijgevoegde e-mailcorrespondentie tussen de advocaat-generaal en de “poortraadsheer” bij het hof. Daaruit blijkt het volgende. De advocaat-generaal heeft voorgesteld dat het hof, nadat de twee door de verdediging gevraagde getuigen zijn gehoord, ter terechtzitting een nadere beslissing kan nemen over de vraag of het benoemen van een deskundige (nog) in het belang van de verdediging is. De “poortraadsheer” bij het hof heeft het verzoek om een deskundige te benoemen niet op voorhand toegewezen op de grond dat niet duidelijk is dat deze deskundige relevant zou kunnen verklaren over de vraag in hoeverre de verklaringen van de verdachte als betrouwbaar moeten worden aangemerkt.
(iii) Bij faxbericht van 21 oktober 2014, gericht aan de voorzitter van het hof, heeft de raadsman het verzoek om een deskundige te benoemen herhaald en een nadere toelichting gegeven op dit verzoek. Het gaat om de eerste verklaring van de verdachte bij de politie, afgelegd op 12 juli 2012. Het is de vraag in hoeverre het proces-verbaal van verhoor een adequate weergave vormt van hetgeen de verdachte heeft verklaard, aangezien de verdachte op een zwakbegaafd niveau functioneert, waardoor hij gemakkelijk beïnvloedbaar is, en de verdachte analfabeet is. De verdediging acht een deskundigenonderzoek van rechtspsychologische aard noodzakelijk, omdat er weinig materiaal voorhanden is dat dienstbaar kan zijn aan het betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van de verklaringen van de verdachte en de persoonlijkheid van de verdachte een aspect is dat de betrouwbaarheid van zijn verklaringen heeft kunnen beïnvloeden. De verdediging wenst de te benoemen rechtspsycholoog onder meer vragen te stellen over de verhoorsbekwaamheid van de verdachte.
(iv) Op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 heeft de raadsman van de verdachte gepersisteerd bij zijn verzoek tot benoeming van een deskundige. Voor de onderbouwing van het verzoek heeft hij verwezen naar de appelschriftuur en het faxbericht (de brief) van 21 oktober 2014.
(v) Het hof heeft het verzoek tot benoeming van een deskundige op die terechtzitting afgewezen, aangezien het hof de benoeming van een deskundige, gelet op de onderbouwing van het verzoek door de verdediging, niet noodzakelijk acht. Daartoe heeft het hof overwogen dat de door de raadsman gestelde omstandigheden onvoldoende zijn om tot een benoeming van een deskundige over te gaan.
(vi) Op diezelfde terechtzitting heeft het hof het verzoek tot het als getuige horen van een door de verdediging meegebrachte reclasseringsmedewerker van het Leger des Heils ( [getuige] ), die kan verklaren over de persoon van de verdachte en zijn beperkingen, wel toegewezen. [getuige] heeft ter terechtzitting verklaard dat de verdachte bijna niet kan lezen, dat de op de verdachte betrekking hebbende diagnose zwakbegaafdheid klopt, dat de verdachte naïef is en last heeft van een verstandelijke beperking en dat de verdachte in al zijn goedheid meewerkt aan dingen zonder dat hij kan overzien wat de gevolgen zijn.
(vii) Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2015 overgelegde pleitnota, heeft de raadsman van de verdachte (voorwaardelijk) verzocht alsnog een deskundige te benoemen die onderzoek gaat doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte, indien het hof de verklaring die op 12 juli 2012 is afgelegd bruikbaar acht voor het bewijs en op basis van die verklaring tot een bewezenverklaring komt. Voor de motivering van het verzoek heeft de raadsman verwezen naar de appelschriftuur en het faxbericht van 21 oktober 2014. In aanvulling daarop heeft hij verwezen naar de op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 afgelegde verklaring van [getuige] , waaruit blijkt dat de verdachte zeer zwakbegaafd is. De deskundige moet in dat licht beoordelen of de verdachte verhoorsbekwaam is en of er aanwijzingen zijn dat de inhoud van zijn verklaringen ten gevolge van zijn psychische gesteldheid onjuistheden bevatten, aldus de raadsman.
(viii) Het hof heeft dit voorwaardelijk gedane verzoek tot benoeming van een deskundige in de bestreden uitspraak onder “verweren, 3. voorwaardelijk verzoek” afgewezen, omdat het hof de noodzakelijkheid tot het benoemen van een deskundige nog steeds niet is gebleken. Het hof heeft daartoe overwogen dat op de terechtzitting in hoger beroep van 28 oktober 2014 door de raadsman hetzelfde verzoek is gedaan en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen die het hof tot een ander oordeel brengen.
tweede middelbevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, inhoudende dat de op 12 juli 2012 door de verdachte afgelegde verklaring als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven, zonder daarbij in het bijzonder de redenen op te geven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid, althans dat de door het hof gegeven motivering de verwerping van het standpunt niet kan dragen, aangezien het hof niet is ingegaan op de door de verdediging aangevoerde innerlijke tegenstrijdigheden in deze verklaring.
Vervolgens heeft het hof de op 12 en 16 juli 2012 bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte deels als bewijsmiddelen 3 en 4 tot het bewijs gebezigd.