Conclusie
overhedgeen de
mismatch. Over het eerste stellen Gerann c.s. dat voor zover de hoofdsom waarvoor de renteswaps zijn afgesloten hoger is dan de daartegenover staande financiering sprake is van een speculatief derivaat, hetgeen niet passend was bij het defensieve risicoprofiel en Rabobank Den Haag had moeten waarschuwen tegen de gevaren van overhedge. Over het tweede stellen Gerann c.s. dat de afgesloten renteswaps onvoldoende aansluiten bij de onderliggende financiering en dat Rabobank Den Haag informatie had moeten inwinnen over looptijd en aflossingsverplichtingen onder de leningen en daarop aansluitende renteswaps had moeten adviseren.
cancellable swapsgedragen zich als gewone swaps nu Rabobank geen gebruik heeft gemaakt van haar opzegbevoegdheid en Gerann c.s. hebben niet onderbouwd dat zij enige schade hebben geleden als gevolg van het feit dat deze swaps ‘cancellable’ zijn (rov. 4.15.2). Van schade bestaande uit de negatieve markwaarde is niet gebleken (rov. 4.16.2).
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdeel 1.1scheert het hof ten onrechte de zorgplicht van Rabobank ten aanzien van [betrokkene 1] en Hunzedal over één kam met die van Gerann en de Geste Groep en oordeelt het ten onrechte dat ten aanzien van [betrokkene 1] en Hunzedal geen bijzondere zorgplicht op Rabobank rust. Het hof (i) ziet eraan voorbij dat Rabobank Den Haag een afzonderlijke adviesrelatie had met [betrokkene 1] als particuliere belegger en (ii) miskent dat [betrokkene 1] en Hunzedal eerder swaps afsloten dan Gerann. Niet valt in te zien waarom op Rabobank geen bijzondere zorgplicht rustte, nu [betrokkene 1] en Hunzedal niet-professionele beleggers zijn en mede gelet op de risico’s van dit complexe product en het gebrek aan kennis van en ervaring met renteswaps bij deze cliënten.
subonderdeel 1.2brengt de − bijzondere dan wel algemene [23] − zorgplicht van Rabobank jegens [betrokkene 1] en Hunzedal mee dat Rabobank naar behoren onderzoek had moeten doen naar de financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van [betrokkene 1] en Hunzedal, hen had dienen te waarschuwen voor de bijzondere risico’s van renteswaps en hen had moeten waarschuwen indien het aangeboden product hierbij niet zou passen.
overhedgeof
mismatchwaardoor de swaps speculatief van aard zouden worden (rov. 4.14.5). Gerann c.s. hebben zelf de verantwoordelijkheid genomen voor de aansluiting van de swaps op haar leningen (rov. 4.14.6) en onvoldoende is toegelicht dat desalniettemin voor Rabobank duidelijk moet zijn geweest dat een
overhedgeen/of
mismatchdreigde (rov. 4.14.7).
subonderdeel 2.1bestaat, is gericht tegen rov. 4.7 en komt erop neer dat het hof een verdergaande zorgplicht van Rabobank jegens Gerann had moeten aannemen. Hiertoe voeren Gerann c.s. diverse klachten aan.
cancellabe swapswaarop het subonderdeel met de verwijzing naar MvG nr. 145 wijst. Het hof constateert overigens dat deze zich hebben gedragen als gewone swaps (rov. 4.15.2). Voorts heeft het hof Gerann onbestreden aangemerkt als professionele belegger en kon het daaraan de conclusie verbinden dat van een rechtspersoon met een bepaalde (grote) omvang wordt geacht zelf de benodigde financiële beslissingen te nemen en zelf te kunnen inschatten wanneer zij daarvoor nader advies moet vragen bij een financiële instelling (rov. 4.7). Het subonderdeel faalt.
subonderdeel 3.1brengt de − bijzondere dan wel algemene − zorgplicht van Rabobank mee dat zij [betrokkene 1] zelf had moeten informeren en zich ervan moest vergewissen dat [betrokkene 1] zich van de bijzondere risico’s van de renteswaps en de gevolgen daarvan bewust was.
subonderdeel 3.2aanvoert, is het oordeel evenmin onbegrijpelijk in het licht van de in dat subonderdeel genoemde omstandigheden. Ook dit subonderdeel wijst op de adviesrelatie, de aard en risico’s van het product en het gebrek aan kennis en ervaring bij [betrokkene 1] . Voor het overige stuit het af op het oordeel van het hof dat Rabobank mocht aannemen dat [betrokkene 2] [betrokkene 1] inlichtte over de mogelijkheden en risico’s van de renteswaps en dat zij onbestreden heeft gesteld bereid te zijn geweest tot een persoonlijk gesprek maar dat de Geste Groep daaraan uiteindelijk geen behoefte had (rov. 4.11). Tegen die laatste overweging wordt nog opgekomen in de s.t. Gerann c.s. nr. 53, maar dat is te laat (dupliek nr. 13).
subonderdeel 4.1, ziet op rov. 4.11. Het subonderdeel herhaalt eerdere klachten en behoeft in zoverre geen afzonderlijke bespreking.
subonderdeel 5.1, ziet op rov. 4.12 (met uitzondering van de laatste volzin daarvan). Het subonderdeel herhaalt eerdere klachten en in zoverre volsta ik met een verwijzing naar het voorgaande.
subonderdeel 6.1miskent het hof dat dit Rabobank niet ontsloeg van haar onderzoeks- en vergewisplicht jegens [betrokkene 1] en Gerann. Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof in deze overwegingen niet ingaat op de reikwijdte van de zorgplicht. De tegen de uitleg van de in rov. 4.14.4 bedoelde stukken gerichte klacht in s.t. Gerann c.s. nr. 60 is tardief (dupliek nr. 14).
overhedgeen
mismatchonvoldoende gemotiveerd heeft toegelicht. De hiertegen gerichte motiveringsklacht van
subonderdeel 6.2dient te falen. De stelling dat van Rabobank mocht worden verwacht dat zij informatie zou inwinnen over looptijd en aflossingsverplichtingen onder de leningen en dat zij renteswaps zou adviseren die aansluiten op de onderliggende financiering, is door het hof behandeld in rov. 4.14.6.
overhegdeen
mismatchdan wel de swaps had moeten ontraden, is in algemene zin aan de orde gekomen in rov. 4.14-4-4.14.5 en specifiek ten aanzien van [betrokkene 1] en Gerann in de op rov. 4.14-6 en 4.14.7 voortbouwende rov. 4.14.8 en 4.14.9. Voor zover de stelling ook ziet op de zorgplicht verwijs ik naar de eerder besproken onderdelen.
subonderdeel 7.1erop neer dat in de omstandigheden van dit geval Rabobank nadere informatie van Gerann c.s. had moeten vragen. Deze klacht faalt. Nu het hof heeft geoordeeld dat de producten als zodanig niet ongeschikt waren voor Gerann c.s. en dat van hen verwacht mag worden zich zelfstandig een oordeel te vormen over de geschiktheid van een dergelijk product voor haar bedrijfsvoering (rov. 4.12) en gegeven dat Gerann c.s. geen volledige financiële inzage wilde geven (rov. 4.14.6), getuigt het oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 7.2dient te falen. Volgens de klacht gaat het hof voorbij aan de stelling dat Rabobank jaarstukken heeft ontvangen en – in het algemeen – de stukken heeft gekregen die zij wilde hebben. In rov. 4.14.6 verwijst het naar een gespreksverslag waaruit het afleidt dat de Geste Groep niet bereid was totale financiële inzage te verschaffen. In rov. 4.14.7 oordeelt het hof dat gesteld noch gebleken is dat uit deze door de Geste Groep verstrekte informatie, die immers niet alle financiële verplichtingen en rechten van de Geste Groep omvatte, kon worden afgeleid dat er een
overhedgeof
mismatchdreigde. Hieruit blijkt dat het hof niet voorbij is gegaan aan de door Gerann c.s. genoemde stelling, maar tot een ander oordeel is gekomen.
overhedgeen
mismatch(rov. 4.14.6 e.v.). Dit impliceert het oordeel dat Rabobank niet in strijd met haar zorgplicht heeft gehandeld door die verantwoordelijkheid in dit geval, conform de wens van haar cliënt, [25] aan de Geste Groep over te laten. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de door de Rabobank in de omstandigheden van dit geval in acht te nemen civielrechtelijke zorgplicht.
onderdeel 8, dat alleen bestaat uit
subonderdeel 8.1, klagen Gerann c.s. over de inhoud van rov. 4.14.7. Anders dan de eerste klacht van het subonderdeel aanvoert, heeft het hof niet miskend dat op Rabobank een doorlopende zorgplicht rustte op grond waarvan de bank voortdurend onderzoek had moeten doen of sprake is van passende advisering. In de rov. 4.14.6 t/m 4.14.9 onderzoekt het hof immers of Rabobank er voldoende op heeft toegezien of het risico op
overhedgeen/of
mismatchzich verwezenlijkte of zou kunnen gaan verwezenlijken (rov. 4.14.6) en of voor Rabobank duidelijk moest zijn dat dit dreigde (rov. 4.14.7). De klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist daarom feitelijke grondslag.
subonderdeel 9.1grijpt terug op de jegens [betrokkene 1] geldende zorgplicht die bij de eerder besproken onderdelen al aan bod is gekomen. Deze zorgplicht wordt niet in rov. 4.14.8 besproken, zodat de klacht feitelijke grondslag mist.
subonderdeel 9.2vervatte motiveringsklacht faalt eveneens. Hierin klagen Gerann c.s. dat het hof enkele essentiële stellingen van Gerann c.s. heeft gepasseerd op basis waarvan volgens Gerann c.s. niet valt in te zien waarom van Rabobank geen waarschuwingsplicht kon worden gevergd. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag, aangezien de bestreden rechtsoverweging niet gaat over het al dan niet waarschuwen door Rabobank van [betrokkene 1] , maar om de vraag of Gerann c.s. voldoende bewijs hebben geboden ter onderbouwing van hun stelling dat Rabobank wist dat [betrokkene 1] panden ging verkopen.
onderdeel 10klagen Gerann c.s. met twee subonderdelen over rov. 4.14.9. De klacht van
subonderdeel 10.1grijpt terug op de jegens Gerann geldende zorgplicht die bij de eerder besproken onderdelen al aan bod is gekomen. Bovendien heeft het hof de stelling van Gerann c.s. dat Rabobank de renteswaps had moeten ontraden, verworpen omdat Gerann c.s. niet hebben aangeboden te bewijzen dat Rabobank ten tijde van het sluiten van renteswaps met Gerann op de hoogte was van de reeds bestaande renteswaps met Fortis. Pas ruimschoots na het aangaan van de renteswaps hebben Gerann c.s. deze gegevens met Rabobank gedeeld. Dit betekent dat de informatie over (het bestaan van) de renteswaps met Fortis die Gerann c.s. pas in 2009 met Rabobank deelden niet relevant is voor het aangaan van de swapcontracten. Het hof miskent, anders dan de klacht aanvoert, niet de doorlopende zorgplicht van Rabobank op dit punt. Het hof oordeelt echter dat onduidelijk is wat Rabobank – in de ogen van Gerann c.s. − toen nog had moeten doen met deze informatie.
subonderdeel 10.2gaat die overweging voorbij aan de essentiële stelling van Gerann c.s. dat Rabobank heeft verzuimd te adviseren de
overhedgete beëindigen of af te bouwen. Daarop heeft het hof echter gereageerd met de overweging dat het veeleer voor de hand had gelegen de renteswaps met Fortis te beëindigen. Deze overweging is, ook in het licht van de stelling van Gerann c.s., niet onbegrijpelijk.