Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
point d’interêt, point d’actionzoals verwoord in HR BNB 2014/122 ook geldt voor andere voor bezwaar vatbare beschikkingen dan aanslagen, dus ook voor verliesvaststellingsbeschikkingen.
BNB1989/214 [2] volgt dat als een bij aangifte gemaakte keuze onherroepelijke gevolgen heeft gehad, voor herziening van die keuze geen plaats meer is en dat niet nagevorderd kan worden omdat keuzeherziening geen nieuw feit is. U achtte echter kennelijk beslissend dat de belanghebbende niet vóórdat onherroepelijke gevolgen intraden, ondubbelzinnig kenbaar had gemaakt dat hij zijn aangifte voor het eerdere jaar wilde herzien. Dat heeft onze belanghebbende wél gedaan, waarmee zij mijns inziens haar recht heeft verwerkt om zich met een beroep op het ontbreken van een nieuw feit te verzetten tegen herziening van de verliesvaststellingsbeschikking 2010 overeenkomstig haar eigen nadere standpunt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
3.Het geding in cassatie
4.Jurisprudentie
Standpuntwijziging in de bezwaar- of beroepsfase
BNB 1984/226, en HR 24 februari 2012, nr. 11/03244, ECLI:NL:HR:2012:BV6736,
BNB 2012/122). Geschillen over die reserve kunnen aan de orde komen naar aanleiding van de aanslagregeling over het jaar waarin de omvang van de gevormde reserve van invloed is op het belastbare bedrag.
met betrekking tot het bestreden besluitop zichzelf niet beter kan worden, maar de belanghebbende (wél) in een gunstiger positie kan komen door, onder meer: (i) verrekening van voorheffingen of voorlopige aanslagen (bijvoorbeeld HR BNB 1990/2 [21] ) (ii) een oordeel van de rechter over de gegrondheid van het beroep met het oog op een vordering tot schadevergoeding (bijvoorbeeld HR BNB 2011/69 [22] ; HR BNB 2008/158 [23] ; HR BNB 2012/157), en (iii) een uitspraak over de juistheid van een aanslag opgelegd aan een derde waarvoor de belanghebbende aansprakelijk is gesteld en waarvoor het recht tot invordering weliswaar is verjaard, maar ter zake waarvan eveneens overheidsaansprakelijkheid aan de orde kan zijn (bijvoorbeeld HR BNB 2001/6 [24] ). Belanghebbendes geval lijkt mij echter niet vergelijkbaar met dergelijke gevallen.
5.Literatuur
reformatio in peius, inhoudende dat volgens vaste jurisprudentie het bezwaar de bezwaarde niet in een nadeliger positie kan brengen dan hij zonder bezwaarindiening zou zijn geweest.
6.Behandeling van het middel
reformatio in peius, nu zij ook ter zake van de verliesvaststellingsbeschikking niet in een slechtere positie komt. Het schrappen van het 2010-afwaarderingsverlies is immers niet in haar nadeel maar in haar voordeel: met haar nieuwe standpunt in de bezwaarfase opent zij de duidelijk tot haar voordeel strekkende mogelijkheid om in 2010 een herbestedingsreserve te vormen. Zelfs als men strikt mechanistisch zou concluderen dat zich een
reformatio in peiuszou voordoen doordat de 2010-verliesbeschikking tot nihil gereduceerd wordt, meen ik dat het verbod op
reformatio in peiuser niet toe strekt een belanghebbende te beschermen die niet beschermd wil worden als die ‘bescherming’ haar juist de toegang tot een door haar gewenst voordeel (de herbestedingsreserve) ontneemt.
besluit’en ik kan niet bedenken waarom de op een zeer lange traditie bogende procesregel
point d’interêt, point d’actionvoor sommige op zichzelf appellabele besluiten wel zou gelden en voor andere niet.
BNB1989/214 [35] volgt dat als een door de belanghebbende bij aangifte gemaakte keuze (in dat geval: vervroegde afschrijving) onherroepelijke gevolgen heeft gehad, voor een herziening van die keuze geen plaats meer is en dat niet nagevorderd kan worden omdat keuzeherziening geen nieuw feit is. U achtte echter kennelijk beslissend dat de belanghebbende in die zaak niet vóórdat onherroepelijke gevolgen intraden, ondubbelzinnig kenbaar had gemaakt dat hij zijn aangifte voor het eerdere jaar wilde herzien. Dat heeft onze belanghebbende juist luid en duidelijk wél gedaan, waarmee zij mijns inziens haar recht heeft verwerkt om zich met een beroep op het ontbreken van een nieuw feit te verzetten tegen herziening van de verliesvaststellingsbeschikking 2010 overeenkomstig haar eigen nadere standpunt, dat volstrekt onverenigbaar is met een verlies(vaststelling) in 2010.
chambre mixte, mede omvattende een raadsheer in de belastingkamer van de Hoge Raad, die daarom haars inziens als kleine rechtseenheidskamer gezien kan worden. Ik merk op dat die uitspraak van de ABRvS stamt van vóór HR BNB 2014/122. U zou kunnen overwegen, indien wél (reden voor) verschil tussen de fiscaalprocesrechtelijke en bestuursprocesrechtelijke toepassing van het adagium
point d’interêt, point d’actionbestaat, ook daarover uitsluitsel te geven, al dan niet na rechtseenheidsoverleg over het algemene criterium voor vaststelling van een
interêt.