Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Schoenimport ‘Italmoda’ Mariano Previti(hierna:
Italmoda) [1] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) prejudiciële vragen beantwoord die de Hoge Raad hem in
HR BNB 2013/96 [2] (hierna: het verwijzingsarrest) heeft voorgelegd inzake (het weigeren van) de aftrek van voorbelasting, de toepassing van het nultarief dan wel de teruggaaf van btw in verband nummerverwervingen bij intracommunautaire btw-fraude. [3]
Italmodaillustreert hoe het Unierecht almaar dieper ingrijpt in de nationale rechtsorde. Het biedt ook nieuwe vergezichten op de vaste leer dat een richtlijn niet rechtstreeks ten nadele van de justitiabele kan werken [5] en op het toenemende belang van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
2.De feiten
Italmodaten grondslag liggen in herinnering. Ik ontleen de navolgende weergave van de vaststaande feiten aan de uitspraak van hof Amsterdam (hierna: het Hof) van 12 mei 2011, nrs. P08/00611, 08/00612 en 08/00613, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ4863, NTFR 2011/1215 m.nt. Wolf en V-N 2011/39.1.1, het verwijzingsarrest en
Italmoda.
3.Procedure tot en met het HvJ
Kamino International Logistics en Datema Hellmann Worldwide Logistics [28] beschouwt het HvJ de inning van de financiële middelen van de Unie als een algemeen belang. [29]
staataan de nationale rechter de aftrek te weigeren’) in het antwoord op de tweede vraag verzacht lijkt tot een potentialis. Ik citeer en cursiveer het derde punt van het dictum: [31]
kunnen worden geweigerd, ondanks dat de fraude is gepleegd in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin aanspraak op deze rechten wordt gemaakt en de belastingplichtige in deze laatste lidstaat heeft voldaan aan de formele voorwaarden die de nationale wet aan deze rechten verbindt.”
Italmoda(BNB 2015/61):
4.Intracommunautaire transacties en btw-fraude
afnemer [43] die de intracommunautaire verwerving verricht en dus de belasting is verschuldigd. [44]
X en fiscale eenheid Facet-Facet Trading [45] volgt dat de afnemer die op grond van voornoemde regeling btw moet voldoen in de lidstaat die een btw-identificatienummer heeft afgegeven, geen beroep kan doen op het reguliere recht op vooraftrek, omdat de regeling betreffende nummerverwervingen dan zinloos zou zijn. Ik citeer en cursiveer:
Italmoda, dat dit soort fraude niet moet worden verward met een normale leveringsketen waarin een fraudeur is binnengedrongen. Veeleer is volgens de A-G sprake van een activiteit die uitsluitend wordt georganiseerd met het doel belastingfraude te plegen.
Ofschoon er tal van redenen voor dit verlies bestaan, is fraude toch wel een van de belangrijkste. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat bij de nationale overheden en rechterlijke instanties groeiende aandacht bestaat voor de bestrijding van btw-fraude. Ook in de rechtspraak van het Hof speelt deze problematiek al enige tijd een steeds grotere rol.”
Italmodaontkennend beantwoord. Toch lijkt het mij interessant hierop nader in te zoomen, vooral ook omdat belanghebbende in haar reactie op
Italmodaerop hamert dat zij zich uitdrukkelijk alleen beroept op het nationale recht en dat alleen het nationale recht haar verplichtingen kan opleggen of haar rechten kan ontzeggen.
5.De richtlijn en zijn reikwijdte
Von Colson en Kamann [52] ontleen ik het volgende:
Marleasing/Comercial Internacional de Alimentación(hierna:
Marleasing) [54] formuleerde het HvJ dit als volgt (met mijn cursivering):
Bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of latere datum dan de richtlijn, moet de nationale rechter dit zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn,ten einde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag te voldoen.” [55]
VSTR [57] overweegt het HvJ in punt 30 dat geen andere voorwaarden aan de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen (nultarief) worden gesteld dan dat sprake moet zijn van een levering die in de hoedanigheid van belastingplichtige [58] wordt verricht, en de goederen bovendien fysiek van de ene plaats naar de andere gaan (cursivering van mijn hand):
kunnen geen andere voorwaarden worden gesteld om een handeling als intracommunautaire levering of verwerving van goederen aan te merken(zie arrest Teleos e.a., reeds aangehaald, punt 70), waarbij het begrip intracommunautaire levering net als het begrip intracommunautaire verwerving objectief van aard is
en onafhankelijk van het oogmerk en het resultaat van de betrokken handelingen wordt toegepast(zie met name arrest Teleos e.a., reeds aangehaald, punt 38).”
Mecsek-Gabona [59] van belang, waarin het HvJ oordeelt dat de lidstaten bij het vaststellen van voorwaarden waaraan moet worden voldaan om aanspraak te maken op het nultarief, in overeenstemming met het rechtzekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel moeten handelen (cursivering van mijn hand):
Bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten de lidstaten evenwel de algemene rechtsbeginselen naleven die deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, waaronder met name het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel(zie in die zin arrest van 27 september 2007, Collée, C-146/05, Jurispr. blz. I-7861, punt 24, en reeds aangehaalde arresten Twoh International, punt 25; X, punt 35, en R., punten 43 en 45).”
doeldat deze nastreeft.
Halifax e.a. [63] overweegt het HvJ:
Kefalas e.a./Elliniko Dimosio en Organismos Oikonomikis Anasygkrotisis Epicheiriseon [66] ,
Diamantis [67] ,
Kittel [68] ,
Fini H [69] , Maks Pen [70] en
Italmoda.
Italmoda:
Italmoda heeft de Nederlandse regering tijdens de mondelinge behandeling kennelijk de indruk gewekt dat het Nederlandse recht een dergelijk ‘antifraudebeginsel’ kent. Nu het HvJ in het hiervoor geciteerde punt 53 van
Italmodarechtsmisbruik en belastingfraude of –ontwijking in één adem noemt, kan ik mij zo voorstellen dat de Nederlandse regering tijdens de mondelinge behandeling heeft gedoeld op de rechtspraak van de Hoge Raad waarin het leerstuk ‘misbruik van recht’ onder ‘fraus legis’ wordt geschaard. [71] Ik denk niet dat de Nederlandse regering heeft bedoeld op te merken dat ook het Unierechtelijke ‘antifraudebeginsel’ door fraus legis wordt bestreken. In 1997 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit leerstuk niet van toepassing is wanneer sprake is van carrouselfraude in de btw indien de belastingplichtige zelf geen voordeel heeft behaald. [72] Als de Hoge Raad van zins was geweest op dat oordeel uit 1997 terug te komen dan wel hij in de onderhavige zaak wel mogelijkheden had gezien voor toepassing van fraus legis, was de eerste prejudiciële vraag overbodig geweest.
Italmodanog de indruk wekken dat de Hoge Raad een nationale bepaling of een nationaal leerstuk nodig heeft om de in geding zijnde rechten te weigeren, volgt uit punt 54 dat het HvJ dat dit toch is vereist:
Italmoda– goede trouw beschouwt als een voorwaarde voor het effectueren van de in geding zijnde rechten.
Italmodanoemt het HvJ de goede trouw (wel) expliciet in onder meer
Mecsek-Gabona:
Mecsek-Gabonaenkel ging om de weigering van het nultarief (en dus niet om de weigering van aftrek of het recht op teruggaaf in verband met nummerverwervingen), meent A-G Szpunar in zijn conclusie in de zaak
Italmoda, dat goede trouw een algemeen beginsel op het gebied van de btw is. [74] Dit beginsel is naar de mening van de A-G van toepassing op (de weigering van) zowel het nultarief, het recht op aftrek als het recht op teruggaaf. De A-G benadrukt in punt 53 van zijn conclusie dat het beginsel van goede trouw niet alleen belastingplichtigen kan worden tegengeworpen, maar dat het ook (juist) ten voordele van belastingplichtigen kan werken. Indien de belastingplichtige te goeder trouw is en onverhoopt betrokken raakt bij fraude, zal hij immers steeds zijn rechten kunnen effectueren. Ook Bijl spreekt in zijn noot bij het verwijzingsarrest (BNB 2013/96) over twee kanten van dezelfde medaille.
Italmoda. Weliswaar verwijst het HvJ in punt 46 van
Italmodanaar de punten 50 tot en met 52 van de conclusie van A-G Szpunar – alwaar de A-G spreekt over goede trouw – het HvJ neemt deze woorden niet zelf expliciet in de mond. Nu blijft enigszins onduidelijk op welke gronden het HvJ tot het oordeel is gekomen dat niet aan alle voorwaarden voor de uitoefening van de in geding zijnde rechten is voldaan.
Åkerberg Fransson [75] , welke beslissing hij in september 2015 in
Taricco e.a. [76] heeft herhaald. Vooral
Åkerberg Franssonis een belangwekkend arrest, dat ik in deze conclusie nog vaker zal noemen. Uit deze arresten volgt dat de lidstaten de plicht hebben te waarborgen dat de btw op hun grondgebied volledig wordt geïnd en fraude te bestrijden en dat de nationale rechter moet toetsen of de lidstaten die verplichting zijn nagekomen.
Taricco
e.a.overwoog het HvJ onder meer het volgende:
Åkerberg Franssonverwoordt het HvJ een opdracht aan de nationale rechter de volle werking van het Unierecht te bewerkstelligen. Volgens het HvJ is het vaste rechtspraak dat de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, zorg dient te dragen voor de volle werking van deze normen, en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de – zelfs latere – nationale wetgeving buiten toepassing moet laten, zonder dat hij hoeft te verzoeken of af te wachten dat deze eerst door de wetgever of door enige andere constitutionele procedure wordt ingetrokken. [77] In verband daarmee overweegt het HvJ het volgende:
‘beginsel dat niemand in geval van misbruik of bedrog een beroep kan doen op het Unierecht
’(hierna: antifraudebeginsel) – het gevolg dat dit geldt ongeacht nadrukkelijke implementatie daarvan. [78] Andere (ongeschreven) rechtsbeginselen zoals het verdedigingsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het neutraliteitsbeginsel gelden immers ook zonder implementatie in de nationale wetgevingen. Een niet onbelangrijk verschil tussen het antifraudebeginsel en bijvoorbeeld het verdedigingsbeginsel is dat dit laatste beginsel altijd ten voordele strekt van belastingplichtigen, terwijl het in geding zijnde antifraudebeginsel in de onderhavige zaak nu juist nadelig uitpakt voor belanghebbende. Nationale autoriteiten moeten immers rechtstreeks op grond van een richtlijn particulieren bepaalde rechten ontzeggen. Het HvJ overweegt in verband hiermee:
Italmodamogelijk zijn, namelijk: (1) dat het arrest een voortzetting is van de
Mangold [80] / Kücükdeveci [81] -jurisprudentie en (2) dat het een op zichzelf staande nieuwe regel introduceert “waaruit blijkt dat het ontnemen van ten onrechte verleende
rechtendie voortvloeien uit een EU-richtlijn niet gelijk is aan het opleggen van
plichtenop grond van diezelfde richtlijn” [82] . Hij hangt de tweede mogelijkheid aan.
Italmodais het HvJ niet alleen van oordeel dat het ‘antifraudebeginsel’ geldt ongeacht de implementatie in de nationale wetgeving, maar ook dat dit beginsel prevaleert boven het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. [83] In deze zin onderscheidt fraude zich kennelijk van misbruik van recht. Zoals ik
Halifax e.a.begrijp, speelt het rechtzekerheidsbeginsel bij toepassing van het leerstuk misbruik van recht namelijk wel een rol van betekenis. In punt 72 overweegt het HvJ:
HR BNB 2015/187 [86] .
Italmodadat belanghebbende geen beroep kan doen op het recht op aftrek, het nultarief en de teruggaaf indien zij wist of had moeten weten dat elders in de keten fraude werd gepleegd. Belanghebbende is dan niet te goede trouw en voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor het toepassen van de genoemde rechten. Naar het oordeel van het HvJ is geen sprake van (verboden) omgekeerde verticale werking van de Zesde Richtlijn.
6.Een greep uit de jurisprudentie
HR BNB 1992/219 [87] (inzake bubble memory boards [88] ),
HR BNB 1992/220 [89] (audio- en videobanden),
HR BNB 1999/199 [90] en
HR BNB 2003/211 [91] (hogedrukreinigers),
HR BNB 2000/198 [92] (CPU’s),
HR BNB 2002/364 [93] (geheugenchips) en
HR BNB 2005/94 [94] (auto’s).
HR BNB 2008/240 [97] . In dat arrest weigert de Hoge Raad de aftrek van voorbelasting in een fraudesituatie. Met name de overweging in punt 3.7 van het arrest vind ik erg interessant. Ik citeer en cursiveer:
Het is buiten redelijke twijfel dat communautaire rechtsbeginselen - waaronder begrepen het beginsel van de fiscale neutraliteit - zich niet verzetten tegen een naheffing van belasting over de toegevoegde waarde in een geval als het onderhavige waarin de belastingplichtige weet dat met betrekking tot een andere handeling, die voorafgaat aan of volgt op de door hem verrichte handeling, btw-fraude is of wordt gepleegd en ongeacht de omstandigheid of belanghebbende door die deelname voordeel heeft behaald(vergelijk het hiervoor onder 2 aangehaalde arrest van het Hof van Justitie [99] , punten 54 tot en met 59).”
De Hoge Raad had daar voorheen ook niet zo’n moeite mee. Ik verwijs in dit verband naar HR 11 juli 2008, nr. 40 867, BNB 2008/240 (concl. A-G Wattel), met mijn noot, waarin de Hoge Raad boven twijfel verheven achtte dat weigering van de aftrek van voorbelasting mogelijk was in gevallen als deze. Het idee van de mogelijke noodzaak van een nationale regeling is kennelijk eerst later opgekomen.(…)”
HR BNB 2008/240geen prejudiciële vragen stelt en ruim vijf jaar later wel, ligt het mijns inziens toch iets genuanceerder dan voormelde auteurs signaleren. Zoals volgt uit punt 3.6.3 van
HR BNB 2008/240, had belanghebbende in die zaak op grond van de Wet noch de Btw-richtlijn recht op aftrek van voorbelasting, omdat de btw ten onrechte aan hem in rekening was gebracht. Dergelijke (artikel 37-)omzetbelasting is niet aftrekbaar. Anders dan in de onderhavige zaak, was dus niet aan alle voorwaarden voor het effectueren van het recht op aftrek voldaan. De Hoge Raad acht de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 23 april 1986, nr. 286-1389, V-N 1986, blz. 1125 niet van toepassing, omdat deze is gestoeld op het neutraliteitsbeginsel en belanghebbende – wetende van de fraude – bewust in strijd met dit beginsel handelde. In die zaak stond dus niet zozeer het antifraudebeginsel centraal, maar het neutraliteitsbeginsel. Bovendien heeft punt 3.7 van
HR BNB 2008/240 –waarop Bijl, Van Doesum en Wolf zich lijken te baseren – mijns inziens het karakter van een overweging ten overvloede (en is deze overweging dus niet dragend voor het oordeel).
HR BNB 2008/240in lijn is met de rechtspraak van het HvJ en dat het recht op aftrek (en het nultarief en de teruggaaf in verband met nummerverwervingen) geweigerd moet worden indien belanghebbende wist of had moeten weten dat hij deel uitmaakte van een fraudeketen.
Italmodaweten we inmiddels dat ook het recht op teruggaaf op die grond dient te worden geweigerd.
Italmoda.
FIRIN, [102] Bonik [103] , Kittel [104] en
Halifax e.a [105] valt te lezen dat in geval van fraude naar het oordeel van het HvJ niet is voldaan aan de vereisten voor een belaste levering (of dienst) of – meer in het algemeen – aan de voorwaarden voor een economische activiteit en dat om die reden geen recht op aftrek van btw bestaat. Ik citeer uit
Kittel:
in geval van belastingfraude door de belastingplichtige zelf(zie arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a, C‑255/02, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 59).”
Optigen e.a. [106] vat het HvJ de rechtspraak op dat punt als volgt samen:
Maks Pen [107] en
Mahagében en Dávid(hierna:
Mahagében) [108] was eveneens de weigering van btw-aftrek aan de orde. In deze arresten oordeelt het HvJ niet expliciet dat de weigering van dit recht voortvloeit uit de omstandigheid dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een economische activiteit. De reden voor de weigering van het recht op aftrek formuleert het HvJ in
Maks Penals volgt:
Mecsek-Gabona [109] en, R. [110] ging het niet om de weigering van het recht op aftrek, maar om de weigering van de toepassing van het nultarief. In de zaak
R.lijkt het HvJ niet zo ver te gaan dat niet is voldaan aan de voorwaarden van een economische activiteit als het de belastingplichtige zelf is die fraudeert. Hij beslist dat de toepassing van het nultarief moet worden geweigerd. Als gevolg daarvan is het gewone btw-tarief van toepassing. Indien het HvJ ook in deze situatie had gemeend dat in geval van fraude niet aan alle voorwaarden voor een economische activiteit is voldaan, zou dat tot gevolg hebben gehad dat geen omzetbelasting zou zijn verschuldigd over de betreffende levering omdat de transactie dan buiten het bereik van de Btw-richtlijn zou vallen en dus onbelast zou zijn. Daar zou dan tegenover staan dat hij ook geen recht op aftrek zou hebben.
Italmodadat als gevolg van fraude niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het recht op aftrek, de toepassing van het nultarief en de teruggaaf. Dit geldt zowel voor degene die ‘slechts’ weet heeft van fraude elders in de keten of daarvan behoorde te weten als voor degene die zelf fraudeert (zie punt 49 en 50 van Italmoda). Dit laatste is voor wat betreft de toepassing van het nultarief niet in lijn met de in punt 6.12 genoemde jurisprudentie. Daaruit volgt immers dat bij fraude door de belastingplichtige zelf, geen sprake is van een economische activiteit. Van btw-heffing kan in een dergelijk geval geen sprake zijn. Aan de vraag of het nultarief van toepassing is, wordt dan niet toegekomen. [111] Deze beslissing lijkt weer wel in overeenstemming met het arrest
R. Reden voor deze omslag is wellicht dat er fraudesituaties denkbaar zijn, waarin in een bepaalde schakel geen aftrek wordt geclaimd. Als in een dergelijke situatie wordt geoordeeld dat geen sprake is van een economische activiteit, kan in die schakel geen btw worden nageheven. Dat acht het HvJ kennelijk onwenselijk. Het weigeren van het nultarief leidt in zo’n situatie wél tot heffing.
Optigen
e.a.heeft het HvJ ter zake het volgende overwogen:
waarvan deze belastingplichtige geen weet had en geen weet kon hebben,van een andere handeling uit deze keten van leveringen, die voorafgaat aan of volgt op de door voormelde belastingplichtige verrichte handeling.
zonder dat deze belastingplichtige dit weet of kan weten, ten aanzien van een andere handeling, die voorafgaat aan of volgt op de door laatstgenoemde verrichte handeling, BTW-fraude is of wordt gepleegd.” [113]
Italmoda,waarin het HvJ spreekt over ‘de handeling waarvoor aanspraak op het recht van aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw wordt gemaakt’.
Italmodameer dan eens btw-rechten weigeren. Blijkens haar reactie op het arrest
Italmodaverzet belanghebbende zich tegen een dergelijke cumulatie, omdat dit naar haar mening ertoe kan leiden dat lidstaten profiteren van de fraude. Nu, zoals ik in punt 4.15 heb gememoreerd, de lidstaten jaarlijks vele miljarden euro’s aan btw mislopen door fraude, weegt het nadeel van cumulatie kennelijk niet op tegen het nadeel dat de Unie lijdt door het gemis aan btw-opbrengsten als gevolg van de fraude. Het door belanghebbende gevreesde gevaar zal in de praktijk denk ik ook wel loslopen. Een kenmerk van btw-fraude is nu juist dat de profiteurs meestal ‘ploffen’ of onvindbaar zijn voor de belastingautoriteiten en pogingen de btw te innen zonder resultaat blijven.
Italmoda. In dit arrest besteedt het HvJ bij zijn oordeel dat het recht op aftrek, het nultarief en de teruggaaf kan worden geweigerd immers totaal geen aandacht aan de omstandigheid dat in Italië ter zake van een intracommunautaire verwerving van de goederen btw van de afnemer is nageheven. Strikt fiscaal-juridisch is in deze situatie ook geen sprake is van dubbele heffing. Per belastbare handeling (zie punt 6.20) wordt namelijk slechts eenmaal btw geheven ter zake van de (intracommunautaire) levering van het goed en eenmaal ter zake van de intracommunautaire verwerving. Dat een dergelijke cumulatie absoluut niet past binnen het btw-stelsel, behoeft geen betoog. Het HvJ lijkt daarmee echter in geval van fraude geen moeite te hebben.
WebMindLicenses Kft [114] . In dit arrest was de vraag aan de orde of de plaats van dienst met toepassing van het leerstuk misbruik van recht in een andere lidstaat moest worden gesitueerd. De omstandigheid dat de btw reeds is voldaan in de lidstaat waar de plaats van dienst is gelegen voordat het misbruik is vastgesteld, staat naar het oordeel van het HvJ niet eraan in de weg dat de lidstaat waar de plaats van dienst zich daadwerkelijk bevindt overgaat tot naheffing (zie punt 51 t/m 54 van
WebMindLicenses Kft)
.Dus zelfs bij misbruik van recht, dat voor mijn gevoel duidelijk minder laakbaar is dan fraude, wordt dubbele heffing per (belastbare) handeling aanvaard; voor dezelfde dienst wordt in twee lidstaten btw geheven. Lidstaten zijn niet gehouden rekening te houden met heffing in een andere lidstaat.
Prankl [115] ,
Macikowski [116] ,
R. [117] en
GST- Sarviz Germania [118] is hier op het eerste gezicht ook best iets voor te zeggen. Ook Vandamme [119] vindt de wending die het HvJ in
Italmodalijkt te maken opmerkelijk. Hij merkt hierover op: [120]
Prankl,een accijnszaak over intracommunautair verkeer van tabaksartikelen die illegaal de EU waren binnengesmokkeld, dat waar twee lidstaten de fraude hadden opgespoord, ze niet beide de accijns konden heffen. Het beginsel van voorkoming van dubbele belasting dat ten grondslag ligt aan de EU-regels inzake accijns verzet zich daartegen. Meer bepaald oordeelde het Hof van Justitie dat ‘niet op goede gronden kan worden standgehouden dat de Uniewetgever meer belang heeft willen hechten aan de preventie van fraude door algemeen toe te staan dat bij illegaal vervoer van accijnsproducten alle lidstaten van doorvoer accijns heffen’. Ook het arrest
Macikowskidat dateert van ná de zaak
Italmodalijkt niet te rijmen met een al te makkelijke acceptatie van dubbele heffing. Toen het Hof van Justitie zich moest uitspreken over een Poolse maatregel die verlies aan btw-inkomsten moest tegengaan stelde het nog maar eens dat ‘waarborgen voor de juiste inning van de belasting en voorkoming van fraude niet verder mogen gaan dan ter verwezenlijking van die doelstellingen noodzakelijk is noch afbreuk doen aan de btw-neutraliteit’. De twee beginselen die het Hof van Justitie in
Macikowskiaanhaalt, proportionaliteit en fiscale neutraliteit, zouden toch geweld worden aangedaan als dubbele btw-inning de hoofdregel moet zijn, ook als later alsnog geïnd wordt bij de primaire btw-fraudeur. Gezien het praktische belang van deze vraag is het jammer dat het Hof van Justitie niet meer duidelijkheid verschaft op dit punt.”
R.:
7.(Geen) strafrechtelijke sanctie?
Åkerberg Fransson, volgt dat de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst. Wanneer – zoals te dezen – sprake is van het ten uitvoer brengen van het recht van de Unie, moet het HvJ, ingeval om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, alle uitleggingsgegevens verschaffen die de nationale rechter nodig heeft om te kunnen beoordelen of de nationale regeling (of in dit geval het ontbreken ervan) verenigbaar is met de grondrechten waarvan het de eerbiediging verzekert. Dit laatste verklaart waarom het HvJ in
Italmodaeen niet door de Hoge Raad gestelde vraag over het Handvest beantwoordt.
Italmodadat het in de onderhavige zaak gaat om de weigering van een recht dat voortvloeit uit het gemeenschappelijke btw-stelsel welke niet als een straf of sanctie als bedoeld in artikel 7 van Pro het EVRM en artikel 49 van Pro het Handvest kan worden beschouwd. Achterliggende gedachte is dat belastingplichtigen in geval van fraude niet voldoen aan alle (geschreven en ongeschreven) voorwaarden voor de uitoefening van de in geding zijnde rechten.
Halifax e.a.(punt 93),
Emsland-Stärke GmbH [123] en
Döhler Neuenkirchen GmbH [124] . Ik citeer uit
Halifax e.a.:
Mahagébennoemde het HvJ de weigering van het recht op aftrek nog een manier om te straffen. Ik citeer en cursiveer:
om door de weigering van dit recht een belastingplichtige te straffendie niet wist en niet had kunnen weten dat de betrokken handeling deel uitmaakte van fraude door de leverancier of dat een andere handeling uit de leveringsketen die voorafgaat aan of volgt op de door deze belastingplichtige verrichte handeling, btw-fraude was (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Optigen e.a., punten 52 en 55, en Kittel en Recolta Recycling, punten 45, 46 en 60).” [125]
Stauder/Stadt Ulm [127] :
Kamino International Logistics en Datema Hellmann Worldwide Logistics. Ik citeer:
8.Recapitulatie
HR BNB 2013/75 [135] .In die zaak ging het om de gevolgen van
Van der Steen [136] . De Hoge Raad overwoog (met mijn cursivering):
De rechten van belastingplichtigen die zijn verworven door te handelen overeenkomstig de door de nationale rechter in hoogste instantie gewezen jurisprudentie kunnen niet met terugwerkende kracht worden ontnomen indien nadien blijkt - zoals in het onderhavige geval - dat die jurisprudentie in strijd is met een Europese richtlijn.Uit het Unierecht volgt niet iets anders, aangezien een dergelijke richtlijn niet rechtstreeks ten nadele van de justitiabele kan werken.”
HR BNB 1998/35 [137] en om die reden de gevolgen van
Italmodawellicht beperken tot de toekomst. Nog afgezien van de vraag of de Hoge Raad moet terugkomen op
HR BNB 1998/35(ik vind van niet, omdat fraude mijns inziens nog steeds niet onder het leerstuk fraus legis kan worden gebracht)
,meen ik – in tegenstelling tot Wolf – dat de rechtspraak van de Hoge Raad niet in strijd is met de jurisprudentie van het HvJ over fraude. Ik verwijs naar punt 3.7 in
HR BNB 2008/240. Tot slot merk ik op dat in het arrest waarnaar Wolf verwijst (
HR BNB 2013/75)geen sprake was van fraude. Het HvJ acht de aanwezigheid van fraude nu juist een reden om het rechtszekerheidsbeginsel buiten toepassing te laten. Al met al acht ik het niet nodig (en is het, gelet op het arrest
Italmoda,zelfs niet toegestaan) de gevolgen van
Italmodain de tijd te beperken.