ECLI:NL:HR:2012:BU7264
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- E.N. Punt
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtszekerheidsbeginsel bij naheffing omzetbelasting fiscale eenheid directeur-grootaandeelhouder
Deze zaak betreft een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd aan een fiscale eenheid waarvan A directeur en enig aandeelhouder was. De Inspecteur stelde dat A vanaf 18 oktober 2007 niet langer als ondernemer kon worden aangemerkt na het arrest Van der Steen van het Hof van Justitie, waardoor sprake zou zijn van een onttrekking aan het ondernemingsvermogen en naheffing gerechtvaardigd was.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de naheffingsaanslag. Het Hof vernietigde deze uitspraak en beperkte de aanslag, waarna de Minister van Financiën cassatie instelde. De Hoge Raad overwoog dat het arrest Van der Steen de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad over het ondernemerschap van de directeur-grootaandeelhouder vervangt.
Echter, het rechtszekerheidsbeginsel verhindert dat belastingplichtigen met terugwerkende kracht worden geconfronteerd met naheffingen op grond van gewijzigde interpretaties van het ondernemerschap. Dit betekent dat de rechten die zijn verworven onder de oude jurisprudentie behouden blijven, ook al blijkt die jurisprudentie in strijd met Europese richtlijnen.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat naheffing niet kan plaatsvinden indien belastingplichtigen te goeder trouw hebben gehandeld op basis van de destijds geldende jurisprudentie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag niet gehandhaafd vanwege het rechtszekerheidsbeginsel.