Conclusie
eerste middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd is.
2.3 Het oordeel van de rechtbank
NJ2013/293 betoogd dat het oordeel van het hof dat de betrokkene door het bewezenverklaarde gewoontewitwassen daadwerkelijk voordeel heeft genoten zonder nadere motivering, die ontbreekt, onjuist dan wel niet begrijpelijk is. In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat de opvatting dat de bedragen aan contant geld en banksaldi en het voor het verwerven van aandelen betaalde bedrag, nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden onjuist is. Dat de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel had verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen, vergde volgens het oordeel van de Hoge Raad een nadere motivering. De Hoge Raad heeft deze lijn in latere rechtspraak doorgetrokken. [1] Het standpunt dat voorwerpen van (gewoonte)witwassen reeds om die reden kunnen worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van of uit de baten van (gewoonte)witwassen, is dus niet houdbaar.
tweede middelvalt in twee klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat de ontnemingsmaatregel is gebaseerd op contante uitgaven – betreffende Holland Casino, de Jetski en de Jetloader – die in de hoofdzaak niet als voorwerp van gewoontewitwassen bewezen zijn verklaard. Ten tweede wordt geklaagd dat het hof met betrekking tot de contante stortingen (per abuis) een hoger bedrag heeft vastgesteld dan dat in de hoofdzaak als voorwerp van gewoontewitwassen bewezen is verklaard (verschil: € 10.640,00).