Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
equality of armsen het verdedigingsbeginsel was de Belastingdienst gehouden om de belastingplichtige inzage te geven in alle relevante onderliggende stukken. Omdat de Belastingdienst weigert deze stukken aan hem ter inzage te geven, heeft de belastingplichtige geen gelegenheid gehad om daarvan kennis te nemen en daarop te reageren. Enkel op basis van ‘vermoedens’ had het hof niet mogen vaststellen dat niet aan de eerdere veroordeling is voldaan en, op die grond, een verhoogde dwangsomsanctie mogen opleggen [12] .
nemo-tenetur-beginsel [14] , het volgende onderscheid moet worden gemaakt:
nemo tenetur-verweer gevoerd, in de gedingstukken ook wel (doch taalkundig niet helemaal correct) aangeduid als het ‘verbod op zelfincriminatie’. Overeenkomstig de regel, in alinea 2.6 geciteerd onder a, is de belastingplichtige veroordeeld om al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, onder de restrictie dat wilsafhankelijk materiaal uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing. In dit geding is (nog) niet de vraag, bedoeld in alinea 2.6 onder c, aan de orde [17] .
fishing expedition’inhoudt. Het hof baseert zijn oordeel in rov. 3.7.3 hoofdzakelijk op, samengevat:
equality of arms-beginsel gehouden is aan de belastingplichtige ongeschoonde stukken over te leggen, faalt de klacht op in wezen dezelfde gronden als vermeld in rov. 3.4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 2013, NJ 2013/559, reeds aangehaald. In de klacht wordt miskend dat het hier gaat om een voorlopige voorziening, waarbij de dwangsomsanctie dient als prikkel tot naleving van een bestaande wettelijke verplichting. Blijkens de maatstaf, aangehaald in alinea 2.6 onder b hiervoor, kan in een latere fase, bij de incasso van een beweerdelijk verbeurde dwangsom, alsnog door de rechter worden onderzocht of betrokkene aan het bevel, dus aan zijn verplichting op grond van art. 47 AWR Pro, heeft voldaan. In die fase rusten de stelplicht en de bewijslast ter zake in beginsel op de Staat. De vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen vindt zo gefaseerd plaats: eerst de oplegging van een dwangsomsanctie, daarna de beslissing over de verschuldigdheid van een beweerdelijk verbeurde dwangsom. De aard van de vordering brengt mee dat calculerend informatiegedrag wordt tegengegaan doordat de Belastingdienst in de fase van het opleggen van een bevel met dwangsomsanctie haar informatiepositie niet
voorafbehoeft prijs te geven.
determination of a criminal chargein de zin van art. 6 EVRM Pro [28] . Als argument is daarbij aangevoerd dat de norm tot handhaving waarvan de dwangsom strekt niet algemeen is: de norm is niet door de wetgever maar door de burgerlijke rechter geformuleerd en is specifiek gericht tot de veroordeelde, in de onderlinge rechtsbetrekking tussen twee partijen. Bovendien vallen verbeurde dwangsommen toe aan de wederpartij in het geding, niet aan een neutraal overheidsorgaan (art. 611c Rv). Mijns inziens spreken deze kenmerken van de civiele dwangsom in het onderhavige geval minder tot de verbeelding, omdat het bevel tot handhaving waarvan de dwangsom strekt weliswaar is gegeven door de burgerlijke rechter aan één persoon, maar inhoudelijk strekt de dwangsomsanctie tot naleving van een publiekrechtelijke norm (te weten de inlichtingenplicht van art. 47 AWR Pro). De procespartij die bij overtreding van het rechterlijk bevel kan overgaan tot incasso van de opgelegde dwangsommen is in dit specifieke geval geen particulier, maar de Staat. Niettemin ben ik van mening dat ook dan het preventieve karakter van de dwangsomsanctie zozeer overheerst boven het punitieve karakter dat − anders dan bijvoorbeeld bij het opleggen van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarde wegens overtreding van een wettelijke strafbepaling – hier niet kan worden gesproken van een
criminal charge. Dit lijkt ook de overheersende opvatting te zijn ten aanzien van de bestuursrechtelijke last onder dwangsom. Art. 5:31d Awb kwalificeert de last onder dwangsom als een op herstel gerichte sanctie [29] .
welke ter beoordeling van de rechter moeten worden gelaten, kan het evenwel noodzakelijk zijn een maximum bedrag vast te stellen om het instituut van de dwangsom niet in diskrediet te brengen, namelijk indien de dwangsom een astronomische hoogte zou bereiken, die vermoedelijk niet zonder nadeel voor andere schuldeisers, vooral voor degene die een onderhoudsuitkering van de schuldenaar hebben te vorderen, zou kunnen worden ingevorderd.” [33] (onderstreping toegevoegd)
in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Art. 611d Rv berust op de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom en is gelijkluidend aan art. 4 van Pro die eenvormige wet. Zie voor een dergelijke bevoegdheid van het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd: art. 5:34 Awb Pro. Voor zover de dwangsom al verbeurd was voordat de onmogelijkheid intrad, kan de rechter haar niet opheffen of verminderen; dit volgt uit art. 611d lid 2 Rv. De onmogelijkheid om de hoofdveroordeling uit te voeren moet in beginsel worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de hoofdveroordeling [36] . Het begrip ‘onmogelijkheid’ is in de rechtspraak aanvankelijk streng geïnterpreteerd: indien voor een deel van de hoofdveroordeling nakoming nog wel mogelijk is zal de rechter de dwangsom niet mogen opheffen of verminderen [37] .