ECLI:NL:PHR:2016:103
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt medeplegen voorhanden hebben vuurwapen na werpen pistool van balkon
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool en munitie van categorie III. Het hof stelde vast dat verdachte het wapen van een ander had aangenomen en vervolgens vanaf het balkon naar beneden had gegooid, waarmee hij gedurende korte tijd beschikking had over het wapen.
De verdediging voerde aan dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat verdachte het wapen voorhanden had gehad, verwijzend naar eerdere jurisprudentie waarin kort vasthouden niet tot medeplegen leidde. De Hoge Raad oordeelde echter dat het onderhavige geval wezenlijk anders was, omdat verdachte het wapen niet slechts vasthield maar er een daad van beschikking op verrichtte.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte het wapen voorhanden had gehad in de zin van artikel 26 van Pro de Wet wapens en munitie. Het hof had bovendien het medeplegen niet als strafverzwarende omstandigheid meegewogen, zodat het strafmaximum niet werd beïnvloed.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, en er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging. De uitspraak bevestigt de vereisten voor het begrip 'voorhanden hebben' en de toepassing daarvan bij medeplegen in wapenbezitzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen.