Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak wegens ziekte van de verdachte heeft afgewezen.
nietin staat ben persoonlijk aanwezig te kunnen zijn bij de geplande behandeling van mijn strafzaak op maandag 10 juni 2013 om 11.00 uur.
derde middelklaagt terecht dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren heeft opgelegd. Gelet op het bepaalde in art. 14b, tweede lid, (oud) Sr in verbinding met art. 14c, eerste lid, (oud) Sr, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, had het hof de proeftijd niet op een langere periode dan twee jaren mogen bepalen. [7]