Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
Ik weet niet meer precies wat ik [betrokkene 1] heb geadviseerd over mijn gebrek aan kennis ter zake de wijze waarop de bankgarantie zou worden omgezet in een bedrag.” Ook overigens heeft BDO onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij (in de persoon van [betrokkene 3]) er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat [betrokkene 3] een deel van de constructie niet doorgrondde en daaraan de waarschuwing heeft verbonden dat risico's werden genomen door de financieringsconstructie te aanvaarden zonder nadere informatie over het vooralsnog onbegrijpelijke gedeelte daarvan. Een dergelijke waarschuwing mocht van [betrokkene 3] als professionele dienstverlener worden verwacht, zeker gezien het feit dat Shipcon [betrokkene 3] nu juist had benaderd (zoals Shipcon stelt en BDO niet ontkent) omdat hij eerder had geadviseerd over een dergelijke self liquidating loan van Servi-Flat. Shipcon mocht dan ook expertise bij [betrokkene 3] op dat terrein verwachten, en voor zover [betrokkene 3] die expertise niet bezat, had hij daaromtrent uitdrukkelijk een voorbehoud moeten maken, om te voorkomen dat Shipcon zich zou storten in een avontuur dat - gelet op de vooralsnog ontbrekende informatie - te veel risico’s inhield.
subonderdeel 1.1dat rov. 4.7 en 4.9 onbegrijpelijk zijn en dat het hof daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Dit, kort gezegd, omdat het hof niet toelicht om welke risico’s het dan zou gaan en Shipcon zou hebben erkend dat niet vaststaat dat de financieringsconstructie ondeugdelijk was. De redeneertrant in het subonderdeel is deze: BDO heeft in feitelijke instanties aangevoerd dat Shipcon alleen heeft gesteld dat i) Servi-Flat haar verplichtingen jegens Shipcon niet is nagekomen door het aanbetaalde bedrag van € 800.000,- niet terug te betalen en dat ii) uitwinning van de zekerheden niets heeft opgeleverd. In reactie op dit feitelijke betoog van BDO heeft Shipcon erkend dat niet vast staat of de financieringsconstructie deugdelijk of ondeugdelijk was. Zij heeft aangevoerd dat daarom ook irrelevant is wat [betrokkene 3] daarover heeft verklaard of opgeschreven of welke voorbehouden [betrokkene 3] hieromtrent zou hebben gemaakt. Volgens Shipcon staat wel vast dat de schade niet zou zijn geleden als [betrokkene 3] negatief zou hebben geadviseerd, dat wil zeggen, indien hij zou hebben afgeraden een overeenkomst met Servi-Flat te sluiten. Zij heeft vervolgens geconcludeerd dat Shipcon die overeenkomst dan niet zou zijn aangegaan en dat [B] Beheer niet tot verstrekking van een lening zou zijn overgegaan. Gelet op (onder meer) dit door Shipcon gevoerde verweer is het oordeel dat [betrokkene 3] tekort is geschoten in zijn advisering over de financieringsconstructie onbegrijpelijk en is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, aangezien de zaak zo (mede) is beslist op een grondslag die partijen niet aan hun vorderingen of verweren hebben gegeven. Daarbij concretiseert het hof de risico’s ook niet. Er is bij elke overeenkomst een risico dat de wederpartij wanpresteert. Dat risico heeft zich in de overeenkomst met Servi-Flat verwezenlijkt, maar dat was onderkend, zo vervolgt het subonderdeel. Daarom waren zekerheden bedongen, maar die hebben niet gebaat. Daarop ziet echter het tweede verwijt dat Shipcon BDO maakt en dat het hof in de rov. 4.11-4.17 heeft beoordeeld. Volgens het subonderdeel is niet in te zien welke andere risico’s aan de gekozen constructie zouden kleven waarvoor [betrokkene 3] Shipcon had moeten waarschuwen.
consumentals volgt overwogen:
financieel dienstverlenerte betrachten zorgplicht van een goed opdrachtnemer. Ook hier is BDO benaderd voor een op Shipcon Holding’s specifieke situatie toegesneden advies, die een onderzoeks- en waarschuwingsplicht – met name voor risico’s – voor BDO meebrengt strekkend ter bescherming van adviesvrager Shipcon Holding. Ook hier kon BDO deskundig geacht worden en Shipcon Holding niet, zoals we nog zullen zien. Een verder te trekken parallel is dat Shipcon Holding ervan mocht uitgaan dat professioneel dienstverlener BDO zich van bedoelde onderzoeks- en waarschuwingsplichten zou kwijten. Dit past ook in een reeks arresten waarin Uw Raad een bijzondere zorgplicht aannam van een professioneel financieel adviseur in (vermogens)adviesrelaties [19] . Ik wijs verder nog op HR 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6759, NJ 2013, 188, waarin zelfs buitencontractueel een soort bijzondere zorgplicht is aangenomen voor een adviseur die buiten een contractuele adviesrelatie om betrokken was bij het doen van een belegging van € 2 ton door een consument.
subonderdeel 1.1geen doeltreffend betoog tegen het oordeel dat [betrokkene 3] is tekortgeschoten in zijn advisering over de financieringsconstructie. Of de financieringsconstructie intrinsiek deugdelijk is of niet, is niet het beslissende punt en konden rechtbank en hof volgens mij in het midden laten [20] . De toets is of [betrokkene 3]/BDO tekort is geschoten in zijn zorgplicht van goed opdrachtnemer gelet op de hiervoor uiteengezette norm. Dat dat zo is, heeft het hof volgens mij zo kunnen afleiden uit de getuigenverklaringen. Kern is immers dat [betrokkene 3] gehouden was te adviseren over een financieringsconstructie [21] (hetgeen meer inhield dan alleen de uiterlijke modaliteiten ervan aangeven, zoals BDO tevergeefs had betoogd), die hij op een cruciaal punt niet blijkt te hebben doorzien, terwijl niet kon worden vastgesteld dat hij zijn cliënt voor dit gat in zijn begrip had gewaarschuwd. Dat dat (mogelijk aanzienlijke) financiële risico’s met zich brengt bij het vervolgens door de cliënt aangaan van deze financiering, met name omdat (ook voor de adviseur) niet inzichtelijk is hoe een aanbetaling van € 8 ton een financiering van € 20 miljoen op kan leveren, lijkt mij evident en behoefde geen nadere duiding in de motivering van het hof. Dat er zekerheden waren bedongen om financiële risico’s af te dekken staat daar los van. Waar het om gaat is, dat dan allicht een te rooskleurig beeld kan ontstaan bij de cliënt op grond waarvan deze besluit de financiering überhaupt aan te gaan. Dat geldt te meer gelet op de in cassatie onbestreden rov. 4.23, waarin het hof vaststelt dat directeur [betrokkene 1] van Shipcon niet eerder te maken heeft gehad met een “self-liquidating loan” en dat hij [betrokkene 3] juist als adviseur had ingeschakeld omdat [betrokkene 3] wel eerder over die constructie had geadviseerd. Van onbegrijpelijkheid of buiten de rechtsstrijd treden in de door het subonderdeel bedoelde zin is volgens mij geen sprake.
subonderdeel 1.2.2is uitgangspunt voor BDO dat het hof omtrent causaal verband in rov. 4.9 oordeelt dat i) het causaal verband voldoende vast staat om een verwijzing naar de schadestaatprocedure te rechtvaardigen en dus ii) dat de mogelijkheid aannemelijk is dat Shipcon als gevolg van de door het hof vastgestelde tekortkoming in de advisering ten aanzien van de financiële constructie schade heeft geleden. Volgens BDO kan in die overweging niet de eindbeslissing worden gelezen dat causaal verband vaststaat tussen die tekortkoming en de schade van Shipcon. Voor zover die eindbeslissing wel in die overweging gelezen zou moeten worden, is zij volgens het subonderdeel zonder nadere, maar ontbrekende, motivering onbegrijpelijk. In rov. 4.9 is immers niet te lezen om welke schade het zou moeten gaan en om causaal verband tussen tekortkoming en schade op een begrijpelijke wijze vast te stellen, is wel vereist dat duidelijk is welke schade is geleden, zo luidt de redenering. Verder overweegt het hof volgens het subonderdeel dat indien [betrokkene 3] had gewaarschuwd zoals dat van hem mocht worden verwacht, Shipcon de overeenkomst met Servi-Flat “
niet op dezelfde wijze zou zijn aangegaan”.Daarmee laat het hof volgens BDO in het midden wat naar zijn oordeel precies zou zijn gebeurd indien de door hem vastgestelde tekortkoming zich niet zou hebben voorgedaan.
geeneindbeslissing is gegeven over causaal verband tussen de aangenomen tekortkoming en de (omvang van de) gestelde schade. Het onderdeel is in zoverre voorwaardelijk voorgesteld, te weten “
(v)oor zover die eindbeslissing wel in die overweging gelezen zou moeten worden”.Nu dat niet zo is, mist dit onderdeel feitelijke grondslag.
“niet op dezelfde wijze zou zijn aangegaan.” Voor het geval dit een zelfstandig verborgen subklacht zou zijn die niet onder de zojuist behandelde voorwaarde is voorgesteld, het volgende. Ook dit kan niet tot cassatie leiden. Het debat over de schademodaliteiten is nog niet gevoerd en dat hoeft vanwege de verwijzing naar de schadestaatprocedure ook niet.
BDO heeft een zichttaxatie laten uitvoeren met betrekking tot de waarde van het huis van [betrokkene 4]. Wij wilden weten of [betrokkene 4] wel goed was voor zijn geld. Het doen uitvoeren van de zichttaxatie viel eigenlijk buiten mijn takenpakket, althans dat is mijn mening. Toch heb ik opdracht gegeven tot het uitvoeren van de zichttaxatie, omdat ik bekend ben met het fenomeen persoonlijke garantie en ik wilde nagaan of [betrokkene 4] goed was voor de garantie die hij verstrekte ter hoogte van EUR 250.000,-. Ook heb ik het kadaster geraadpleegd om vast te stellen of het onroerend goed eigendom van [betrokkene 4] was. Toen is mij opgevallen dat er beslag lag op het huis van [betrokkene 4] ... Met betrekking tot de vraag of [betrokkene 7] goed was voor zijn geld heb ik geen onderzoek gedaan. Wel heb ik aan [betrokkene 7] gevraagd of hij bezittingen had. Hij deelde mij mee dat hij een huis had van ongeveer 10 miljoen Belgische Francs. Ik heb het daarbij gelaten ...”
Verder heeft [betrokkene 3] een toelichting gegeven op de te verstrekken zekerheden. Zo heeft hij de rechtsgeldigheid van de wissel naar Belgisch recht toegelicht en de waarde die daaraan in België wordt gegeven. Hij zei zelfs dat je wel gek zou zijn om een wissel in België te tekenen omdat je dan jezelf zou opknopen. Een wissel was namelijk met contant geld te vergelijken. Daarnaast had de woning [betrokkene 7] in België genoeg waarde, te weten EUR 845.000, -, om naar terug te grijpen als het bedrag, bij het niet doorgaan van de lening, niet zou worden terug betaald. Ook is mij een foto van de woning [betrokkene 7] getoond. Over eventuele beslagen op de woning [betrokkene 7] is niets gezegd en daar wist ik ook niets van. Met betrekking tot de woning van [betrokkene 4] is mij een papier getoond, waaruit bleek dat een zichttaxatie was uitgevoerd. Volgens [betrokkene 3] steeg de waarde van de woning van [betrokkene 4] uit boven de waarde van de door [betrokkene 4] te verstrekken borgstelling ... [betrokkene 3] heeft alle garanties beoordeeld, omdat van belang was dat Shipcon voldoende zekerheden zou hebben als het bedrag van EUR 800.000, - niet zou worden terugbetaald. Dat [betrokkene 3] de te verstrekken garanties moest beoordelen was al voor 17 december tussen hem en mij afgesproken. Op 17 december had ik ook het idee dat hij de te verstrekken garanties had beoordeeld. Zo had hij een foto van het huis [betrokkene 7], een zichttaxatie met betrekking tot de woning van [betrokkene 4] doen uitvoeren, gaf hij een uitgebreide uitleg met betrekking tot de waarde van de wissel en had hij de borgtochtovereenkomst met [betrokkene 4] opgesteld.”
[betrokkene 3] vond het door hem samengestelde garantiepakket geweldig. Het was een nagenoeg waterdichte garantie, ofwel 99% zekerheid dat het bedrag zou kunnen worden teruggehaald als de lening niet door zou gaan. Met betrekking tot het onroerend goed heeft [betrokkene 3] opgemerkt dat dit onroerend goed gegrepen zou kunnen worden als het bedrag van EUR 800.000,- bij het niet doorgaan van de lening niet zou worden terugbetaald.” [betrokkene 4] verklaarde: “
Volgens [betrokkene 3] waren de zekerheden perfect. Ze waren ruimschoots voldoende ... Tijdens de bespreking van 17 december is niet in detail over de zekerheden gesproken. Wel is gezegd dat het huis [betrokkene 7] en dat van mij getaxeerd waren.”
Ik kan mij niet voorstellen dat ik dit een en ander niet met [betrokkene 1] heb besproken, maar ik weet het niet meer zeker.” Zeker in het licht van het feit dat de andere aanwezigen daarover niet hebben verklaard (en [betrokkene 4] heeft verklaard dat over het conservatoir beslag is gesproken zonder dat [betrokkene 1] erbij was), is die enkele verklaring van [betrokkene 3] onvoldoende om te kunnen aannemen dat [betrokkene 3] Shipcon heeft gewaarschuwd met betrekking tot de mogelijke risico’s die dat beslag voor het verhaal op [betrokkene 4] zou kunnen meebrengen. Ook overigens heeft BDO onvoldoende onderbouwd gesteld dat [betrokkene 3] Shipcon op enig (ander) moment op het beslag heeft gewezen, hetgeen - gelet op het hiervoor overwogene - wel op zijn weg had gelegen. Voorts staat vast dat [betrokkene 3] terzake geen nader onderzoek heeft geadviseerd.
legal opinions). Het onderdeel is
louter voorwaardelijkvan karakter, stelt namelijk dat het onbegrijpelijk is als hiermee voormelde
nietin het arrest inhoudelijk behandelde oordelen over de tekortkomingen in advisering rond de zekerheden van de rechtbank zouden zijn
bekrachtigd.
waaromdat tekortschieten zodanig ernstig zou zijn.
uitzondering ingeval van opzet of daarmee gelijk te stellen grove onzorgvuldigheid”van BDO.
opzet, althans bewuste roekeloosheid”, overwogen: “
[betrokkene 3] heeft bewust roekeloos gehandeld (…).” Ook in hoger beroep heeft Shipcon gesteld: “
Zij miskent dat artikel 12.1 van de algemene voorwaarden zó is geformuleerd, dat BDO in casu - nu [betrokkene 3] bewust roekeloos heeft gehandeld - geen beroep op de aansprakelijkheidsbeperking toekomt. [28] “Met “opzet” en “grove onzorgvuldigheid” uit de algemene voorwaarden is in die omstandigheden volgens mij niets anders bedoeld dan het ons bekende begrippenpaar “opzet” en “bewuste roekeloosheid”. Het hof lijkt beide begrippen ook als synoniemen te gebruiken in rov. 4.28 en 4.29.
waarschijnlijkheidsbewustzijn(het nagenoeg vaststaande feit dat niet zou kunnen worden geleverd met de schadelijke gevolgen van dien) voldoende is, maar hier met een
mogelijkheidsbewustzijn(schending van de plicht te verifiëren of zou kunnen worden geleverd) genoegen wordt genomen. Het antwoord ligt volgens Haak in het feit dat voor de vraag naar de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet het strenge vereiste van de “bewuste roekeloosheid” in optima forma geldt, maar dat dat afhangt van een keur van omstandigheden. De objectieve schending van de rechtsplicht was al voldoende voor de ontzegging van de exoneratie. Van een devaluatie is volgens hem dan ook geen sprake, wel van een verwaterend woordgebruik. Volgens Haak zou de term “bewuste roekeloosheid” moeten worden gereserveerd voor het daadwerkelijk aanwezige besef van de aanmerkelijke kans op schade [44] . Wessels/Jongeneel/Hendrikse menen dat de Uw Raad
ook het door verwijtbare nalatigheid in het leven roepen van een onaanvaardbaar grote kans op schadeziet als een omstandigheid die aan een beroep op een exoneratiebeding in de weg staat. Dat is wat in het arrest volgens hen wordt bedoeld met “welbewust onzorgvuldig gedrag” en dat zou zijn bedoeld met “bewuste roekeloosheid”. De gedachtegang is volgens hen kennelijk dat het bewust roekeloos kan zijn een risico te nemen door een duidelijk aanwezig risico niet te onderzoeken, waarbij de moeite die het afwenden van schade al dan niet kost, een rol kan spelen [45] . Duyvensz leest het arrest aldus dat het gaat om handelen dat tot schade lijdt waarbij de schuldenaar met betrekking tot dat handelen
een gebrek aan zorgin acht neemt, dat kan bestaan uit
tegen beter weten in handelen of uit het nalaten van het nemen van een eenvoudige maatregel om schade te voorkomen. De schuldenaar dient daarbij te weten wat hij doet [46] . Er moet dan ook worden uitgegaan van een objectieve invulling van het begrip “bewuste roekeloosheid”; subjectieve wetenschap, weten danwel zich ervan bewust zijn aan de zijde van de schuldenaar of diens leidinggevende ondergeschikte ter zake van het bestaan van de schade is niet vereist [47] . Kraaipoel betoogt dat het woord “bewuste” in “bewuste roekeloosheid” licht tot misverstand aanleiding geeft, maar dat hij geen reden ziet waarom bij toepassing van art. 6:248 lid 2 BW Pro daadwerkelijk wetenschap vereist zou moeten zijn van de mate van waarschijnlijkheid dat de schade zich zou manifesteren, laat staan daadwerkelijke wetenschap [48] .Tjong Tjin Tai schrijft – onder verwijzing naar het Telfort/Scaramea-arrest – dat hoewel “bewuste roekeloosheid” een subjectief bewustzijn impliceert, deze term inmiddels objectief dient te worden uitgelegd [49] .
achterwege laten van eenvoudige maatregelen ter voorkoming van dreigende aanzienlijke schadevalt dus ook onder “bewuste roekeloosheid”. Een weten of bewustzijn (van de schade) was bij de opdrachtgever niet vereist. Een verwijtbare nalatigheid (
mogelijkheidsbewustzijn) was voldoende. Een aanwijzing voor deze objectieve inkleuring lijkt ook al besloten te liggen in HR 30 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1464, NJ 1995, 45. In die zaak wist de beheerder van de koelcel niet dat het gehalte aan koolstofdioxide te hoog was met schade tot gevolg, maar Uw Raad heeft niettemin geconcludeerd dat de beheerder heeft gehandeld met een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld en derhalve grove schuld [lees: bewuste roekeloosheid, AG] aangenomen [50] .
legal opinions.
Subonderdeel 3.1, dat klaagt dat het hof zijn oordeel omtrent bewuste roekeloosheid niet heeft gemotiveerd, berust naar mij wil voorkomen op een te beperkte lezing van het arrest.
subonderdeel 3.2. faalt. Immers, een essentieel onderdeel van de financieringsconstructie is de “omzetting” van de € 8 ton aanbetaling via een bankgarantie in een financiering van € 20 miljoen (het ingekaderde gedeelte in het in 1.4 weergegeven schema). Dit cruciale gedeelte doorgrondde BDO niet. BDO heeft dit kennishiaat niet aan Shipcon Holding meegedeeld en haar zonder (enig) voorbehoud positief geadviseerd. [betrokkene 3]/BDO heeft dus – hoewel zich een kennishiaat realiserend op een essentieel onderdeel en zich ervan bewust dat Shipcon Holding BDO juist vanwege haar (althans [betrokkene 3]’s) veronderstelde expertise over dit type leningen had ingeschakeld – nagelaten maatregelen te treffen die ertoe strekten de risico’s op schade voor Shipcon c.s. te beperken. Het hof heeft (evenals de rechtbank) mijns inziens kunnen menen dat BDO zodoende “met aan opzet gelijk te stellen grove onzorgvuldigheid”/“bewust roekeloos” het (vermijdbare) risico heeft gecreëerd dat schade zou ontstaan. Met betrekking tot de advisering over de verschafte zekerheden geldt iets overeenkomstigs. BDO wist dat er conservatoir beslag was gelegd op de woning van [betrokkene 4], maar zij heeft dat niet aan Shipcon Holding meegedeeld, maar gezegd dat het een waterdichte garantie betrof. Door het beslag werden de mogelijkheden tot verhaal uit hoofde van de door [betrokkene 4] verstrekte borgstelling in potentie beperkt, terwijl het verkrijgen van goede zekerheden (voor BDO kenbaar) een essentieel onderdeel vormde bij het nemen van een besluit over het aangaan van de self-liquidating loan en het doen van de aanbetaling van € 8 ton. BDO had als (redelijk bekwaam en redelijk handelend) adviseur Shipcon Holding over het beslag moeten informeren. Het hof heeft met dit zo begrepen oordeel op beide punten geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn oordeel is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd en voor het overige wegens zijn verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard niet verder in cassatie toetsbaar. Dat [betrokkene 3] niets bekend zou zijn over de ondeugdelijkheid van een self liquidating loan-constructie an sich, zoals subonderdeel 3.2. nog aanvoert, maakt dit niet anders; dat is het punt niet. Waar het om gaat is, dat [betrokkene 3] ernstig verwijtbaar is tekortgeschoten in zijn waarschuwingsplicht jegens Shipcon Holding. Daarvoor is BDO ten volle aansprakelijk te houden.