ECLI:NL:HR:2012:BX8442

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04183
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:204 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in geschil over ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte en exoneratieclausule

In deze zaak stond de ontbinding van een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte centraal, waarbij de vraag speelde of er sprake was van een gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW Pro. Eiser stelde dat de verhuurder aansprakelijk was voor schade, terwijl de verhuurder zich beroept op een exoneratieclausule om aansprakelijkheid te ontkennen.

De procedure begon bij de kantonrechter te Zutphen, waarna het gerechtshof Arnhem het geschil behandelde en het vonnis van de kantonrechter bevestigde. Eiser stelde daarop cassatieberoep in bij de Hoge Raad, die het beroep heeft verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om tot cassatie te leiden en dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad veroordeelde eiser tot betaling van de kosten van het cassatiegeding en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. De zaak betreft een belangrijke bevestiging van de toepassing van exoneratieclausules in huurrechtelijke geschillen over bedrijfsruimte.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

30 november 2012
Eerste Kamer
11/04183
EE/EP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering,
t e g e n
1. de vennootschap onder firma INTERPLISSÉ,
gevestigd te Aalten,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen,
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. A. van Staden ten Brink,
3. [Verweerder 3],
4. [Verweerder 4],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Eiser zal hierna ook worden aangeduid als [eiser] en verweerders als [verweerder 2] en Interplissé c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 369522 CV EXPL 09-847 van de kantonrechter te Zutphen van 25 januari 2010;
b. het arrest in de zaak 200.069.166 van het gerechtshof te Arnhem van 24 mei 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder 2] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen Interplissé c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 2] begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, en aan de zijde van Interplissé c.s. op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 30 november 2012.